Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
15/6644 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De opvang in een VBL is een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6644 WMO, 15/6645 WMO, 15/6961 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2015, 14/5948 en 14/7787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6353, 15/6901, 15/6418, 15/6595, 15/6609, 15/147, 15/6858, 15/7267, 15/4257, 15/6644, 15/6645, 15/6961 en 15/7023 heeft gevoegd plaatsgehad op 26 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

De zaak 15/7023 is ten onrechte ingeschreven en komen te vervallen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft het college te kennen gegeven dat de periode van zes maanden waarin betrokkene werd opgevangen in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) inmiddels is verstreken en dat de opvang beëindigd dient te worden. Het college heeft voorgesteld om de aanvraag van betrokkene om continuering van de opvang aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.3.

Het college heeft de aanvraag van betrokkene om opvang als bedoeld in de Wmo bij besluit van 7 augustus 2014 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 26 juni 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 augustus 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk 14/5948, gericht tegen bestreden besluit I, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep in de zaak met kenmerk 14/7787, gericht tegen het bestreden besluit II, gegrond verklaard, het bestreden besluit II vernietigd, het besluit van 7 augustus 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.

3. Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak. Het hoger beroep van het college heeft uitsluitend betrekking op het oordeel van de rechtbank in de zaak met kenmerk 14/7787.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het hoger beroep gericht tegen de zaak met kenmerk 14/5948

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 26 juni 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4475, is geoordeeld dat het verstrekken van een toegangspas voor opvang in de Vluchthaven is aan te merken als een besluit tot het toelaten tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. In het geval van betrokkene was bij aanvang van de opvang in de Vluchthaven al bepaald dat deze zou eindigen op 31 mei 2014. Het is de Raad bekend dat het betrokkene, dan wel haar gemachtigde, bekend was dat zij bezwaar kon maken tegen deze einddatum. Omdat bij aanvang van de opvang de einddatum daarvan al vast stond, bevat de brief van 26 juni 2014 slechts een mededeling van informatieve aard en is deze niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit tot beëindiging van de opvang van betrokkene. Verder bevat de brief het voorstel om het verzoek om continuering van de opvang in de Vluchthaven aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo en de aankondiging van een daarover te nemen besluit. Dit voorstel en deze aankondiging zijn evenmin op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Wel blijkt hieruit eens te meer dat het college nog geen besluit had genomen op het verzoek om continuering van de opvang. De brief van 26 juni 2014 is daarom ook niet aan te merken als een besluit waarbij het verzoek om continuering van de opvang wordt afgewezen.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De hoger beroepen gericht tegen de zaak met kenmerk 14/7787

5.1.

De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

5.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit II, voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van de hoger beroepen van het college en betrokkene wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in beide zaken geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de zaak met kenmerk 14/7787;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 november 2014 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB