Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
16/5851 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5306, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering ten onrechte herzien en teruggevorderd. Woonachtig op brp-adres? Niet toelaatbaar onrechtmatig verkregen bewijs. Het bestreden besluit rust alleen op de erkenning van appellante dat zij op het moment van het onderzoek niet meer op het brp-adres woonde. Vastgesteld kan worden dat de verklaringen van appellante niet voldoen aan de voorwaarden, zodat deze niet kunnen worden gebruikt als bewijs. Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek en zonder de door appellante gegeven verklaringen niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de brp stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5851 WSF

Datum uitspraak: 29 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 augustus 2016, 16/641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Molkenboer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.M. Minkels, kantoorgenoot van mr. Molkenboer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

Als getuigen zijn gehoord [getuige 1] , wonende te [plaatsnaam 1] , [getuige 2] , wonende te [plaatsnaam 2] , [getuige 3] , wonende te [plaatsnaam 3] en [getuige 4] , wonende te [plaatsnaam 4] .

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van juli 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor de jaren 2014 en 2015. Appellante stond vanaf 10 juni 2013 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] te [woonplaats] (brp-adres).

1.2.

Op 21 oktober 2015 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de brp stond ingeschreven. Van het onderzoek is op 23 oktober 2015 een rapport opgemaakt. De minister heeft op basis van de bevindingen van het huisbezoek geconcludeerd dat appellante ten tijde van het onderzoek niet op het brp-adres woonde.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 13 november 2015 de aan appellante toegekende studiefinanciering per 1 juli 2013 herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van juli 2013 tot en met oktober 2015 te veel betaalde bedrag van € 5.615,26 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 13 november 2015 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij onder meer verklaard dat zij vanaf 22 september 2015 in verband met de gezondheidstoestand van de hoofdbewoner het brp-adres heeft verlaten en daar vanaf toen niet meer frequent heeft verbleven en dat zij medio oktober 2015 het brp-adres definitief heeft verlaten.

1.5.

De minister heeft het bezwaar bij besluit van 22 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer gesteld dat uit wat appellante in bezwaar naar voren heeft gebracht is af te leiden dat zij sinds 22 september 2015 niet meer haar hoofdverblijf had op het brp-adres.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij – onder meer – verklaard dat zij in elk geval tot 22 september 2015 op het brp-adres heeft gewoond.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het rapport van

23 oktober 2015 en hetgeen appellante ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante op het moment van het onderzoek op 21 oktober 2015 niet op het brp-adres woonde. Appellante heeft erkend dat zij op 22 september 2015 het brp-adres heeft verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om – onder toepassing van de hardheidsclausule – de periode van de herziening te beperken. Appellante heeft met de door haar overgelegde bewijsstukken niet onomstotelijk bewezen dat zij voor 22 september 2015 wél op het brp‑adres heeft gewoond.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In het hogerberoepschrift is de in beroep gegeven verklaring over de woonsituatie van appellante herhaald. In een aanvullend schrijven is vermeld dat de getuigen haar verhaal over haar woonsituatie kunnen bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellante onbevoegd zijn verkregen en moeten worden gekwalificeerd als onrechtmatig verkregen bewijs. Dat bewijs is in deze procedure niet toelaatbaar.

4.2.

Dit betekent dat het bestreden besluit alleen rust op de erkenning van appellante dat zij op het moment van het onderzoek niet meer op het brp-adres woonde.

4.3.1.

Een studerende die verklaart wel op zijn brp-adres te hebben gewoond, maar kort voorafgaand aan de controle naar zijn nieuwe woonsituatie te zijn verhuisd, terwijl die verhuizing niet in de brp is geregistreerd, voldoet op de controledatum niet aan de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Het wettelijk vermoeden brengt in dat geval mee dat indien de studerende erkent dat hij in een (klein) deel van de periode voorafgaand aan het huisbezoek niet op het brp-adres woonachtig was, de herziening betrekking heeft op de periode die teruggaat tot de laatste overschrijving in de brp.

4.3.2.

Naar het oordeel van de Raad kan in een zaak als hier aan de orde een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring pas als bewijsmiddel worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de in 4.3.1 beschreven gevolgen van die verklaring. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan staat de verklaring immers voldoende op zichzelf. Is hieraan niet voldaan, dan staat de verklaring in een te direct verband met het onrechtmatig verkregen bewijs en wordt deze daardoor als bewijsmiddel onbruikbaar. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1508, en van 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4626.

4.4.

Vastgesteld kan worden dat de verklaringen van appellante niet voldoen aan de in 4.3.2 beschreven voorwaarden, zodat deze niet kunnen worden gebruikt als bewijs.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek en zonder de door appellante gegeven verklaringen niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de brp stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.6.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet verder aanleiding om het besluit van 13 november 2015 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te herroepen.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 22 januari 2016;

  • -

    herroept het besluit van 13 november 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 januari 2016;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 170,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) R.L. Rijnen

OS