Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
16/6185 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanpassing beslagvrije voet. Nu het Uwv de voor de herberekening benodigde gegevens pas bij brief van 14 december 2015 van appellant heeft ontvangen, was pas op dat moment de reden voor de verhoging van de beslagvrije voet aangetoond. Met de aanpassing van de beslagvrije voet met ingang van die datum heeft het Uwv voldaan aan het vereiste dat onverwijld rekening moet worden gehouden met de wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6185 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 augustus 2016, 16/2073 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koudijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanuit een situatie dat hij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met toestemming van het Uwv gestart als zelfstandige. In verband met de inkomsten is een te hoog bedrag aan voorschotten op grond van de WW betaald, welk bedrag is teruggevorderd.

1.2.

Bij brieven van 2 september 2013 en 10 oktober 2013 heeft het Uwv appellant gevraagd het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te vullen en te retourneren. Appellant heeft op deze brieven niet gereageerd.

1.3.

Op 27 februari 2014 is appellant een dwangbevel gestuurd, op grond waarvan appellant een bedrag van € 3.038,99 diende terug te betalen voor 4 maart 2014.

1.4.

Op 10 april 2014 heeft het Uwv beslag gelegd op de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant. Met ingang van 1 mei 2014 heeft de gemeente [naam gemeente] met inachtneming van de door Uwv vastgestelde beslagvrije voet een bedrag van € 94,82 op de maandelijkse uitkering ingehouden en aan het Uwv betaalbaar gesteld.

1.5.

Bij brief van 5 augustus 2014 heeft het Uwv appellant naar aanleiding van diens verzoek om aanpassing van de beslagvrije voet wederom een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek toegezonden.

1.6.

Bij brief van 11 december 2014, door het Uwv ontvangen op 14 december 2014, heeft appellant diverse financiële gegevens overgelegd en het Uwv verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.

1.7.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft het Uwv de invordering, gezien de hoogte van de inkomsten van appellant, met ingang van 1 januari 2016 opgeschort.

1.8.

Bij besluit van 9 maart 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, dat de nihil-stelling niet met terugwerkende kracht is toegepast, ongegrond verklaard.

2.1.

Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2016 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en vastgesteld dat de beslagvrije voet wordt toegepast met ingang van 14 december 2015, de datum van ontvangst van de financiële gegevens van appellant. Vanaf die datum is de invordering van de WW-uitkering opgeschort.

2.2.

Appellant heeft zich niet met bestreden besluit 2 kunnen verenigen. Hij stelt zich op het standpunt dat de beslagvrije voet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 aangepast moet worden.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv appellant diverse malen heeft verzocht zijn inkomsten door te geven, aan welke verzoek appellant pas op 14 december 2015 gehoor heeft gegeven. Daarmee is appellant de inlichtingenverplichting van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW niet of niet behoorlijk nagekomen. De door appellant genoemde reden van de late toezending, te weten dat hij zich er eerst van moest vergewissen dat alle gegevens juist waren, maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Verder volgt uit het wettelijk kader dat, zolang de inlichtingenplicht niet is nagekomen, de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet geldt. Pas vanaf

14 december 2015 is appellant de inlichtingenplicht nagekomen zodat de regeling van de beslagvrije voet pas met ingang van die dag geldt. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bij een invordering bij dwangbevel een strenger regime geldt voor het toepassen van de beslagvrije voet. Een correctie met terugwerkende kracht is volgens de rechtbank in dit strengere regime niet mogelijk.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat een onjuiste interpretatie is gegeven aan de tekst van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW. Hij heeft gesteld dat de beslagvrije voet met terugwerkende kracht had moeten worden gecorrigeerd en dat over de periode van 1 januari 2015 tot 14 december 2015 restitutie had moeten plaatsvinden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 36a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een onverschuldigd betaalde uitkering als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WW invorderen bij dwangbevel. Op grond van het tweede lid van dit artikel, voor zover hier relevant, is artikel 27g van de WW van overeenkomstige toepassing.

4.2.

Op grond van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW geldt, zolang de overtreder zijn verplichting bedoeld in artikel 27a, negende lid, van de WW niet of niet behoorlijk nakomt, de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

4.3.

Op grond van artikel 27a, negende lid, van de WW is degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verplicht desgevraagd aan het Uwv de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

4.4.

Op grond van artikel 475d, zevende lid, Rv moet de beslaglegger met een wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen onverwijld rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de deurwaarder.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv de voor de herberekening van de beslagvrije voet benodigde gegevens pas bij brief van 14 december 2015 van appellant heeft ontvangen.

4.6.

Uit de tekst van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW volgt dat, zolang de verplichting om de voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde inlichtingen te verstrekken niet wordt nagekomen, de beslagvrije voet niet geldt bij de invordering. Dit betekent dat pas vanaf het moment waarop wordt voldaan aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken, de beslagvrije voet geldt. Pas dan kan immers de beslagvrije voet worden bepaald en kan hiermee rekening worden gehouden bij de invordering. Zou de beslagvrije voet op grond van het alsnog verstrekken van de benodigde inlichtingen met terugwerkende kracht moeten worden toegekend, dan had het in de rede gelegen dat de wetgever hiervoor bepalingen zou hebben gegeven. Deze bepalingen ontbreken. Zodoende gaat er een prikkel uit van artikel 27g, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW om de benodigde inlichtingen met voortvarendheid te verschaffen.

4.7.

De omstandigheid dat appellant niet willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt, maakt dit niet anders. Appellant had zich op ieder moment tot het Uwv kunnen wenden met het verzoek om op basis van de op dat moment beschikbare gegevens tot vaststelling van de beslagvrije voet te komen. Dat appellant dit om hem moverende redenen heeft nagelaten, waardoor de beslagvrije voet pas later is aangepast, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.

4.8.

Nu het Uwv de voor de herberekening benodigde gegevens pas bij brief van 14 december 2015 van appellant heeft ontvangen, was pas op dat moment de reden voor de verhoging van de beslagvrije voet aangetoond. Met de aanpassing van de beslagvrije voet met ingang van die datum heeft het Uwv voldaan aan het vereiste dat onverwijld rekening moet worden gehouden met de wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) S.L. Alves

RB