Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
16/5291 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht dispensatie geweigerd. Vanwege restricties mag appellant uitsluitend vliegen in een vliegtuig met meerdere piloten en moet hij jaarlijks een ergometrisch onderzoek ondergaan. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. De staatssecretaris heeft in zijn afweging zwaarwegende betekenis mogen toekennen aan het belang van de veiligheid van het militaire luchtverkeer. Hoorplicht geschonden. Gebrek gepasseerd. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/13
TAR 2018/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5291 AW

Datum uitspraak: 28 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Defensie van

9 augustus 2016

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister van Defensie.

Bij uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2117, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3999, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de staatssecretaris nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 9 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2013 opnieuw ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. O.W. Borgeld tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben hun standpunten over en weer nader toegelicht en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Borgeld en [naam X] . De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk en drs. T. de Bruin.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als [rang] vlieger werkzaam bij het ministerie van Defensie. Bij de periodieke medische keuring op 8 maart 2011 is appellant vanwege een abnormale uitslag van de inspanningstest doorverwezen naar de cardioloog van het Centraal Militair Hospitaal. Deze heeft bij appellant een afgesloten kransslagader vastgesteld waarvoor appellant op 9 mei 2011 een operatie heeft ondergaan. Op 6 november 2012 is appellant vervolgens opnieuw medisch gekeurd.

1.2.

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de staatssecretaris aan appellant op grond van onderdeel 140, onder c, van de Military Aviation Requirements Flight Crew Licensing (Medical) (MAR-FCL 3) en paragraaf 6 van bijlage 1 een Militaire Medisch verklaring verstrekt met de restricties ‘Variations Applied’, ‘Valid only with or as qualified co-pilot’ en ‘Special instructions – contact AMS’. Vanwege deze restricties mag appellant uitsluitend vliegen in een vliegtuig met meerdere piloten en moet hij jaarlijks een ergometrisch onderzoek ondergaan. Appellant is nadien regelmatig opnieuw gekeurd en heeft steeds dezelfde restricties opgelegd gekregen.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 februari 2013. Hij heeft daarbij, samengevat, gesteld dat hij een sterk hart heeft, zonder afwijkingen, en is van mening dat in zijn individuele geval dispensatie mogelijk moet zijn. Bij besluit van 9 oktober 2014 is het tegen het besluit van 11 februari 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 9 april 2015 het beroep van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2014 ongegrond verklaard.

2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 juni 2016 geoordeeld dat de staatssecretaris op grond van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2013 had moeten bezien of er aanleiding bestaat om de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet Luchtvaart bedoelde ontheffing te verlenen. Daarbij heeft de Raad het standpunt van de staatssecretaris dat medische omstandigheden niet kunnen leiden tot de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart bedoelde ontheffing verworpen.

3. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen, waarbij hij heeft geweigerd appellant een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 10.1, derde lid, van de Wet Luchtvaart. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een bijzonder geval, als in dit artikellid bedoeld. Gewezen wordt op het rapport van 1 april 2014 van luchtvaartcardioloog Haerkens-Arends, dat door het Hoofd Luchtvaartmedische Zaken, luitenant-kolonel vliegerarts De Bruin wordt onderschreven.

4. Appellant heeft zich in beroep op hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beroep

5.1.1.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Appellant heeft betoogd dat de staatssecretaris in de bezwaarfase deze hoorplicht heeft geschonden. Hierdoor heeft hij onvoldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren toe te lichten.

5.1.2.

Dit betoog slaagt. Appellant is in de nieuwe bezwaarfase niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het horen van appellant is ten onrechte achterwege gebleven, temeer nu nadere informatie is ingewonnen bij luchtvaartcardioloog Haerkens-Arends en bij vliegerarts De Bruin. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is genomen. Appellant heeft echter de gelegenheid gehad om in dit beroep zijn standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen. De Raad ziet daarom aanleiding om dit gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Anders dan appellant heeft betoogd bestaat dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit wegens strijdigheid met artikel 7:2 van de Awb te vernietigen.

5.2.

Artikel 10.1 van de Wet luchtvaart luidt als volgt:

“1 (…)

2 Militaire luchtvaartuigen worden bediend door cockpitpersoneel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke gesteldheid.

3 Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens het tweede lid gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

4 (…).”

5.3.1.

Appellant maakt aanspraak op een ontheffing. Hij heeft, samengevat, betoogd dat zijn situatie een bijzonder geval betreft. Hij heeft een operatie ondergaan aan zijn kransslagader. Hierdoor is de kans dat hij tijdens het vliegen onwel wordt, minder dan 1%. Er is geen sprake meer van een gevaar voor de vliegveiligheid.

5.3.2.

Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris wordt gevolgd in zijn conclusie dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, waarin de bij of krachtens het tweede lid van

artikel 10.1 van de Wet luchtvaart gegeven regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte gebaseerd op de bevindingen en inzichten van luchtvaartcardioloog Haerkens-Arends. Deze zijn door vliegerarts De Bruin nog steeds actueel geacht, blijkens zijn schriftelijke toelichting van 1 november 2016 en de mondelinge toelichting ter zitting bij de Raad. De staatssecretaris heeft in zijn afweging zwaarwegende betekenis mogen toekennen aan het belang van de veiligheid van het militaire luchtverkeer.

5.4.

Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

6.1.

Appellant heeft ten slotte verzocht om - aanvullende - schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

6.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

6.4.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, reeds aangehaald).

6.5.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Justitie en Veiligheid).

6.6.

In het voorliggende geval is aan appellant reeds een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. De Raad neemt voor de vraag of sindsdien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de periode vanaf de ontvangst van het hoger beroep in aanmerking. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure in hoger beroep bedraagt twee jaar. Gelet op het overwogene onder 6.3, in verbinding met het overwogene onder 6.5, wordt de periode bovenop deze termijn als een overschrijding van de redelijke termijn aangemerkt.

6.7.

In dit geval heeft de behandeling vanaf de ontvangst van het hoger beroep twee jaar en negen maanden geduurd. Dat is een overschrijding met negen maanden. Deze overschrijding dient te worden toegerekend aan de staatssecretaris. Van overschrijding in de rechterlijke fase is immers geen sprake geweest, nu de behandeling van het hoger beroep niet langer dan twee jaar, en de behandeling van het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar na toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op tweemaal € 500,-, dat is € 1.000,-, te betalen door de staatssecretaris.

Verzoek om vergoeding van de proceskosten

7. Gelet op wat is overwogen onder 5.1.2 is er aanleiding voor een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade

wegens het overschrijden van de redelijke termijn van € 1.000,-;

- veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD