Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
16/2792 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde werkzaamheden als vennoot en algemeen directeur. Beroep vertrouwensbeginsel slaagt niet. Schenden inlichtingenplicht en gehouden tot intrekken en terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2792 PW, 17/5810 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 maart 2016, 15/8565 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 19 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Krikke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, een besluit van 29 april 2015 ingezonden en geantwoord op een schriftelijke vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Krikke. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 14 februari 2011 tot en met 31 december 2011 een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren naar de norm voor een alleenstaande en sinds 1 januari 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) eveneens naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een zogeheten IB-signaal van de Belastingdienst dat appellant in het bezit is van een bedrijfsautobus heeft een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker appellant opgeroepen voor een gesprek op 16 februari 2015 en appellant verzocht onder andere afschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen over de laatste zes maanden mee te nemen. Appellant is op 16 februari 2015 niet verschenen, waarna het college de bijstand met ingang van 1 februari 2015 heeft opgeschort. De medewerker heeft verder dossier- en internetonderzoek gedaan, gegevens van de Kamer van Koophandel uit Suwinet verkregen, appellant op 24 februari 2015 gehoord en diezelfde dag een huisbezoek aan de woning van appellant gebracht. Bij brief van 26 maart 2015 heeft de medewerker appellant verzocht gegevens te verstrekken, waaronder de boekhouding van twee ondernemingen vanaf 1 januari 2011. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 april 2015.

1.3.

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2015 ingetrokken, omdat appellant de bankafschriften niet binnen de daartoe in het opschortingsbesluit gestelde termijn heeft verstrekt. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college tevens aanleiding geweest om bij besluit van 14 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit), de inkomensvoorziening en de bijstand over de periode van 20 juni 2011 tot en met 31 januari 2015 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 39.908,08 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grond dat appellant sinds 20 juni 2011 werkzaamheden heeft verricht. Door hiervan geen melding te maken aan het college heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Met een bruteringsbesluit heeft het college de teruggevorderde bijstand verhoogd met een bedrag van € 10.775,40 aan belasting en premies die het college aan de Belastingdienst moest betalen (brutering), waardoor de terugvordering € 50.683,48 bedraagt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het bruteringsbesluit wordt, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat appellant per 20 juni 2011 is toegetreden als vennoot van de vennootschap onder firma [naam v.o.f.] en dat hij vanaf 1 januari 2014 algemeen directeur is van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] , welke eenmanszaak is gevestigd op zijn huisadres.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de periode dat hij bijstand ontving meerdere keren zakelijk is geadviseerd door consulent [B.] (B) van Werkplein Den Haag. B gaf aan dat zodra appellant inkomsten van enige omvang zou genereren uit de onderneming, hij aan de bel moest trekken. Er is nooit een moment gekomen waarop dat het geval was. Appellant mocht in redelijkheid afgaan op de aanwijzingen van B.

4.4.1.

Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijk toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant aan B heeft doorgegeven dat hij per 20 juni 2011 is toegetreden als vennoot bij [naam v.o.f.] en dat hij vanaf 1 januari 2014 eigenaar is van de eenmanszaak [naam eenmanszaak]. Dat dit niet het geval is, vindt steun in de verklaring van appellant ter zitting dat hij in november 2011 alleen aan B zou hebben gezegd dat hij een bedrijf zou gaan starten. Bij de gedingstukken bevindt zich geen gespreksverslag, waarin de gestelde toezegging van B is vermeld en appellant heeft zijn stelling dat B deze toezegging heeft gedaan niet met verifieerbare stukken onderbouwd.

4.4.2.

Het toetreden als vennoot tot een vennootschap en het verrichten van werkzaamheden als vennoot en als algemeen directeur betreft activiteiten waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.3.

Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hierbij is niet relevant dat appellant, zoals ter zitting gesteld, vanwege zijn psychische omstandigheden de werkzaamheden niet heeft gemeld. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellant de werkzaamheden had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, het geval.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.1.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant daarin, met de door hem overgelegde jaarstukken van de ondernemingen, aanslagen inkomstenbelasting en bankafschriften van de rekeningen van de ondernemingen en zijn privé-rekening, niet is geslaagd. Aan de hand van deze stukken kan niet worden vastgesteld wat de omvang van de werkzaamheden van appellant is geweest voor beide ondernemingen. De beroepsgrond dat appellant in de periode in geding geen noemenswaardig inkomen zou hebben vergaard, slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat appellant deze beroepsgrond niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd, terwijl uit de jaarstukken blijkt dat de ondernemingen in een groot deel van de periode in geding een niet onaanzienlijke omzet hebben gedraaid. Ook uit de overgelegde bankafschriften van de ondernemingen blijkt dat op de rekeningen in de periode in geding regelmatig stortingen werden gedaan van grotere bedragen met vermelding van een offertenummer.

4.6.

Gelet op wat in 4.4.3 is overwogen was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht de kosten van bijstand over de periode in geding terug te vorderen. Het betoog van appellant ter zitting dat de terugvordering gelet op zijn psychische omstandigheden disproportioneel is en dus dient te worden gematigd, treft geen doel. Voor toetsing van het besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bestaat, gelet op het verplichtende karakter van het besluit tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW, geen ruimte. Slechts indien zich dringende redenen voordoen dient van terugvordering te worden afgezien. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

4.7.

Appellant heeft tegen de brutering van de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het beroep tegen het bruteringsbesluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bruteringsbesluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) F. Dinleyici

HD