Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
16/7987 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het besluit van 28 november 2013 is geweigerd de nabestaandenuitkering per 30 april 2014 te verstrekken, omdat appellante niet wordt geacht arbeidsongeschikt te zijn als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW. Appellante heeft niet gesteld dat haar arbeidsongeschiktheid op 30 april 2014 verkeerd is beoordeeld, maar heeft aangevoerd dat naderhand sprake is geweest van een verslechtering van haar gezondheidssituatie. Deze gestelde verslechtering kan echter geen recht doen ontstaan op een nabestaandenuitkering, omdat uitsluitend de situatie op 30 april 2014 van belang is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7987 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 november 2016, 16/3452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 22 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Simicevic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij brief van 3 april 2012 heeft de Svb appellante laten weten dat haar recht op een nabestaandenuitkering eindigt op 30 april 2014, omdat haar jongste kind op 25 april 2014 de leeftijd van 18 jaar bereikt. In augustus 2013 heeft appellante verklaard arbeidsongeschikt te zijn. In reactie daarop is appellante in opdracht van de Svb onderzocht door een verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het Uwv heeft na arbeidskundig onderzoek aan de Svb geadviseerd dat appellante niet ten minste 45% arbeidsongeschikt is. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 28 november 2013 aan appellante meegedeeld dat zij na 30 april 2014 niet in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering. Tegen het besluit van 28 november 2013 is bezwaar ingediend. De Svb heeft, na hernieuwd advies van het Uwv, bij beslissing van 11 september 2014 het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2013 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 28 december 2015 heeft appellante doorgegeven dat zij bij het Uwv een melding heeft gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid en heeft zij de Svb verzocht een beslissing hierover te nemen. De Svb heeft bij besluit van 4 februari 2016 afwijzend gereageerd op dat verzoek, omdat appellante niet arbeidsongeschikt wordt geacht op de laatste dag van de maand waarin haar jongste kind 18 jaar is geworden, te weten 30 april 2014. In bezwaar wordt aangevoerd dat na laatstgenoemde datum sprake is geweest van een verslechtering van haar gezondheid. Het bezwaar is door de Svb ongegrond verklaard bij beslissing van 12 april 2016 (bestreden besluit). Daarbij heeft de Svb overwogen dat in dit geval uitsluitend recht op een nabestaandenuitkering zou kunnen bestaan als appellante op 30 april 2014 of drie maanden daarvoor ten minste voor 45% arbeidsongeschikt was. Een verslechtering van de gezondheidstoestand na 30 april 2014 kan geen recht op een nabestaandenuitkering doen ontstaan. Verder is overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot een terugkomen van het besluit van

28 november 2013.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat een toename van de arbeidsongeschiktheid na de peildatum, te weten de datum waarop het jongste kind 18 jaar is geworden, geen effect kan hebben op een eerder, reeds geëindigd recht op een nabestaandenuitkering en om die reden niet als omstandigheid kan gelden die een terugkomen van het besluit van 28 november 2013 rechtvaardigt.

3. In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat een verslechtering van haar gezondheidstoestand wel kan leiden tot toekenning van een nabestaandenuitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellante van 28 december 2015 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.

Voor de periode voor de herhaalde aanvraag wordt geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellante bij haar aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De stelling van appellante dat haar gezondheidstoestand na 30 april 2014 is verslechterd kan niet als zodanig worden aangemerkt. Er wordt om deze reden geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

4.3.

Voor de periode na de herhaalde aanvraag is van belang dat appellante op de dag dat haar jongste kind 18 jaar werd, te weten 25 april 2014, niet meer voldeed aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de ANW. Om op basis van arbeidsongeschiktheid in aanmerking te kunnen komen voor een nabestaandenuitkering dient op grond van onderdeel b van het eerste lid van artikel 14 van de ANW sprake te zijn van arbeidsongeschiktheid op de laatste dag van de maand waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde als bedoeld in onderdeel a. Deze laatste dag is in de onderhavige zaak 30 april 2014. Vanaf die datum dient appellante voor ten minste een periode van drie maanden arbeidsongeschiktheid te zijn.

4.4.

In het besluit van 28 november 2013 is geweigerd de nabestaandenuitkering per 30 april 2014 te verstrekken, omdat appellante niet wordt geacht arbeidsongeschikt te zijn als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW. Appellante heeft niet gesteld dat haar arbeidsongeschiktheid op 30 april 2014 verkeerd is beoordeeld, maar heeft aangevoerd dat naderhand sprake is geweest van een verslechtering van haar gezondheidssituatie. Deze gestelde verslechtering kan echter geen recht doen ontstaan op een nabestaandenuitkering, omdat uitsluitend de situatie op 30 april 2014 van belang is. Het beroep op artikelen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarin het recht op uitkering bij toegenomen arbeidsongeschikt wordt geregeld, slaagt niet omdat een soortgelijke bepaling in de ANW ontbreekt.

4.5.

Nu appellante geen argumenten of gegevens heeft ingebracht die een ander licht zouden kunnen werpen op haar gezondheidssituatie op 30 april 2014, wordt geoordeeld dat de Svb appellante, ook voor de periode na de herhaalde aanvraag, terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een nabestaandenuitkering.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H. Achtot

RB