Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
15/6614 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft geen recht op opvang op grond van de Wmo en de opvang die het college wel biedt is onverplicht. Artikel 8 EVRM brengt niet mee dat op het college een positieve verplichting rust om appellante opvang te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6614 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 september 2015, 14/6340 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6931, 15/6933, 15/7268, 15/6612, 15/6614, 15/6734, 15/6647, 15/6648, 15/6967, 15/7026, 15/6733, 15/6824 en 15/7279 heeft gevoegd plaatsgehad op 26 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het college de aanvraag van appellante om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegewezen voor de duur van de verleende ziekenboegindicatie.

1.3.

Bij besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond verklaard en het besluit van 13 mei 2014 gewijzigd in die zin dat op de geboden opvang geen recht bestaat op grond van de Wmo.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang van appellante dateert van na 24 februari 2014, zodat, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, ter beoordeling van de aanspraken van appellante het recht van toepassing is, zoals dat geldt sinds de uitspraken van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de beoordelingsperiode de periode van 3 maart 2014 tot en met 4 september 2014 betreft.

4.3.

De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat appellante geen recht heeft op opvang op grond van de Wmo en dat de opvang die het college wel biedt onverplicht is. Het college heeft hieraan, voor zover nog van belang, ten grondslag gelegd dat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet meebrengt dat op het college een positieve verplichting rust om appellante opvang te verlenen.

4.4.

De Raad is met het college van oordeel dat uit de beschikbare informatie niet is gebleken dat appellante behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming van hun privé- en gezinsleven hebben. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevindt als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995. Dit betekent dat de beroepsgrond van appellante dat zij gedurende de periode in geding recht had op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, niet slaagt.

4.5.

Aan een beoordeling van de andere gronden van het hoger beroep wordt niet toegekomen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB