Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
14/3667 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitsluiting van het recht op een WIA-uitkering. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. De voorlopige toepassing van het Verdrag tussen Nederland en Brazilië was al per 1 januari 2012 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 3667 WIA, 17/4172 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 mei 2014, 13/4639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Brazilië (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Neijzen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft

mr. B.J.M. de Leest zich als gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een expertiserapport, uitgebracht door dr. M. França, psychiater, van

16 maart 2015 aan de Raad gezonden.

In reactie op het rapport van dr. França heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2015 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Voor appellant is verschenen mr. de Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.

De Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als deskundige benoemd om van verslag en advies te dienen. Op 5 juni 2016 heeft Koerselman een rapport uitgebracht.

Partijen hebben over en weer gereageerd op het rapport van Koerselman.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 2 december 2016. Voor appellant is verschenen mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Sluijs.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek nogmaals heropend. De Raad heeft vervolgens een vraag gesteld aan Koerselman.

Op 25 januari 2017 heeft Koerselman een aanvullend rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 28 februari 2017, ingezonden. Appellant heeft beroepsgronden geformuleerd tegen dit besluit, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De zaak is opnieuw behandeld ter zitting op 10 november 2017. Voor appellant is verschenen mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als internationaal vrachtchauffeur.

Op 21 juli 2010 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 29 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 18 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 23 juli 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 28 februari 2017 (bestreden besluit 2) is appellant met ingang van 18 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat appellant in Brazilië woont wordt hij op grond van artikel 43, onderdeel f, van de Wet WIA, uitgesloten van het recht op WIA-uitkering.

4.1.

Appellant heeft in reactie op bestreden besluit 2 aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met dat besluit, voorzover het Uwv heeft bepaald dat hij is uitgesloten van het recht op een WIA-uitkering. Appellant stelt dat door de arbeidsdeskundige het vertrouwen is gewekt dat hij, als hij recht had op een WIA-uitkering, deze uitkering zou behouden mits hij niet zou terugkeren naar Nederland. Appellant heeft uit de uitleg van de arbeidsdeskundige, zoals verwoord in het rapport van 28 maart 2013, afgeleid dat hij in Brazilië kon blijven. Daarom is er sprake van een gedragsbepalende mededeling.

4.2.

Het Uwv heeft er op gewezen dat de arbeidsdeskundige met appellant heeft gesproken over het principe van de export van een uitkering. Nu appellant tijdens de wachttijd, in december 2011, is verhuisd naar Brazilië was er op het moment van de verhuizing geen sprake van een toegekende WIA-uitkering en derhalve ook niet van export van een uitkering. Daarom kan er geen sprake zijn van een te honoreren verwachting.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Nu het Uwv bestreden besluit 1 niet heeft gehandhaafd komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten.

5.2.

Het Uwv is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant, zodat dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling wordt betrokken.

5.3.

Tussen partijen is alleen nog in geschil de vraag of het Uwv bij bestreden besluit 2 terecht heeft vastgesteld dat appellant is uitgesloten van het recht op een WIA-uitkering.

5.4.

Aan de passage in het rapport van de arbeidsdeskundige waar appellant zijn beroep op het vertrouwensbeginsel op heeft gebaseerd, wordt niet die waarde toegekend die appellant daar aan wenst toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet sprake zijn van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van de kant van het Uwv, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel voor honorering in aanmerking kunnen komen. De toelichting van de arbeidsdeskundige op het principe van het meenemen van een eventuele uitkering naar Brazilië is niet als een dergelijke toezegging aan te merken. Dit temeer nu de mededeling van de arbeidsdeskundige evident onjuist was, aangezien de voorlopige toepassing van het Verdag tussen Nederland en Brazilië al per 1 januari 2012 was beëindigd. Voor zover hierdoor enige verwarring is ontstaan bij appellant, is deze voldoende gecompenseerd doordat het Uwv heeft afgezien van de terugvordering van de betaalde voorschotten.

5.5.

Uit 5.4 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 2.722,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.722,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H. Achtot

OS