Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
15/5425 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft betoogd dat de normscore op onjuiste wijze is vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet deze normscore als een gegeven worden beschouwd dat zich niet leent voor een toetsing als door betrokkene gewenst, nu het assessment een extra kans betreft. Appellant heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat betrokkene niet beschikt over de verwachte geschiktheid. Geen beroep op de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5425 AW, 15/6683 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
2 juli 2015, 15/553 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 21 december 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft S.A.J.T. Hoogendoorn een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 21 september 2015 en op

21 oktober 2015 nieuwe beslissingen op bezwaar genomen. Namens betrokkene is hier een zienswijze op gegeven.

Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord en namens betrokkene is hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Namens appellant is verschenen mr. I.C. Holtkamp. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door Hoogendoorn.

Het onderzoek is ter zitting geschorst om de korpschef in de gelegenheid te stellen een (nader) gemotiveerd advies van de leidinggevende van betrokkene in te zenden.

Op 25 augustus 2017 heeft de korpschef een e-mailbericht van 7 augustus 2017 van de leidinggevende van betrokkene ingezonden. Daarop is namens betrokkene gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is vanaf 10 september 2001 aangesteld bij de voormalige politieregio [politieregio] , thans Eenheid [Eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming (bevordering) van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente

beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Bij deze voorwaarde is als voetnoot opgenomen: “Met dien verstande dat in het voortraject een assessment deel kan uitmaken van het persoonlijk ontwikkelingsplan”. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.3.

Nadat binnen de Eenheid [Eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire, ook als reeds een negatief besluit was genomen. Bij de beoordeling van de aanvragen is alle leidinggevenden gevraagd te motiveren of de betreffende collega geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. In maart 2013 heeft de CGOP-Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP nadere uitvoeringsafspraken gemaakt (uitvoeringsafspraken). Een van de afspraken is dat de aanvraag voor bevordering in het kader van het loopbaanbeleid uiterlijk op

31 december 2012 moet zijn ingediend. In het kader van een herstel- en inhaalactie geldt deze voorwaarde niet voor de Eenheid [Eenheid] .

1.4.

Op 26 november 2013 hebben de politiechef en de ondernemingsraad van de Eenheid [Eenheid] nadere afspraken vastgelegd in een beleidsdocument. Op diezelfde datum is bekendgemaakt dat tot 1 februari 2014 aanvragen kunnen worden ingediend. Omdat niet in iedere beoordeling standaard de verwachte geschiktheid is opgenomen voor de naast hogere functie, is blijkens punt 7 van het beleidsdocument het volgende overeengekomen:

“A indien een generalist aan alle criteria voldoet en een positief oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan is aan alle eisen voldaan en kan betrokkene worden bevorderd;

B indien een generalist aan alle criteria voldoet maar geen oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan mag betrokkene door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen en C indien een generalist, naar aanleiding van een vraag van de Eenheidsleiding, een negatief oordeel kreeg van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor senior GGP dan mag betrokkene alsnog door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen. Partijen beogen daarmee te bewerkstelligen dat mogelijke ongelijkheid bij die eerdere negatieve oordelen, te niet wordt gedaan.”

1.5.

Betrokkene heeft in 2012 verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP. Over de periode van december 2011 tot september 2012 is een beoordeling vastgesteld met als conclusie dat betrokkene boven de norm functioneert. Op 28 februari 2013 is namens de leidinggevende van betrokkene een negatief advies uitgebracht over de verwachte geschiktheid van betrokkene voor de functie van senior GGP.

1.6.

Bij brief van 19 maart 2014 is namens appellant meegedeeld dat hij het verzoek van betrokkene tot bevordering van generalist GGP naar senior GGP (nog niet kan honoreren aangezien betrokkene nog niet aan alle voorwaarden voldoet. Betrokkene voldoet wel aan het vereiste van een beoordeling boven de norm, maar niet aan het vereiste van een positief advies van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om zijn verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP door middel van een assessment aan te tonen.

1.7.

Bij besluit van 18 juli 2014 is het verzoek van betrokkene tot bevordering naar de functie van senior GGP afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene niet voldoet aan het vereiste van de verwachte geschiktheid, omdat de score van het assessment van betrokkene lager is dan de norm van 5,7. Deze norm is het gemiddelde behaald door de

referentiegroep van willekeurig gekozen medewerkers die de functie van Senior GGP reeds uitvoeren.

1.8.

Bij het besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nader besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Circulaire HAP II volstrekt duidelijk is over door wie en op welke wijze de verwachte geschiktheid voor de functie senior GGP vastgesteld dient te worden. De Circulaire laat de regiokorpsen geen ruimte tot een andere invulling. Volgens de rechtbank is appellant derhalve niet bevoegd om in plaats van een beoordeling en advies van de leidinggevende, een assessment als eis voor bevordering te stellen. Het beroep is reeds daarom gegrond. Appellant dient opnieuw te beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor bevordering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Circulaire ten aanzien van het criterium “verwachte geschiktheid” geen ruimte bood aan appellant om dat criterium nader of anders in te vullen. Appellant meent dat hij, na overleg met de ondernemingsraad, aan dit begrip op een redelijke wijze invulling heeft

gegeven door het afnemen van een assessment verplicht te stellen indien een advies over de verwachte geschiktheid ontbreekt of negatief is.

3.2.

Namens betrokkene is gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Bij besluit van 21 september 2015 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2014 opnieuw ongegrond verklaard en het verzoek om bevordering afgewezen. Omdat het besluit van 21 september 2015 niet door de bevoegde functionaris is genomen heeft appellant bij besluit van 21 oktober 2015 een daaraan gelijkluidend besluit (nader besluit) genomen dat daarvoor in de plaats is getreden. Dit nadere besluit wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:24 van de Awb bij dit geding betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of appellant in het geval van betrokkene in redelijkheid tot een negatief oordeel over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP heeft kunnen komen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd het namens de leidinggevende van betrokkene uitgebrachte negatieve advies over de verwachte geschiktheid van betrokkene voor de functie van senior GGP van 28 februari 2013 en de door betrokkene behaalde normscore van het assessment.

5.2.1.

Op 28 februari 2013 is door de plaatsvervangend leidinggevende een advies gegeven over de verwachte geschiktheid van betrokkene voor de functie van senior GGP. Dit advies luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Collega [naam 1] heeft zich op het gebied van taakaccenten niet bovenmatig onderscheiden als generalist. Betrokkene heeft niet laten zien dat hij beschikt over vakmanschap dat boven het niveau ligt dat van een generalist mag worden verwacht en beschikt wat ondergetekende betreft op dit moment niet over de competenties om door te kunnen stromen naar senior GGP. Derhalve adviseert ondergetekende negatief over doorstroming naar senior GGP.”

5.2.2.

Ter zitting van 3 augustus 2017 heeft de gemachtigde van appellant erkend dat het negatieve advies van 28 februari 2013 onvoldoende is gemotiveerd. Appellant is door de Raad in de gelegenheid gesteld een (nader) gemotiveerd advies van de leidinggevende omtrent de verwachte geschiktheid van betrokkene in te zenden. Daartoe heeft appellant vervolgens het mailbericht van 7 augustus 2017 van de leidinggevende van betrokkene overgelegd. De leidinggevende van appellant heeft het advies van zijn plaatsvervanger, welke in overleg met hem is opgesteld, volledig onderschreven en nader toegelicht. De leidinggevende is van mening dat betrokkene altijd vrij solistisch opereerde en door hem en anderen vaak is aangesproken om meer deel uit te maken van de groep en samenwerking en overleg met anderen te zoeken. In zijn solisme vergat betrokkene ook wel eens de Chef van dienst te informeren wat hij ging doen en bepaalde dan zijn eigen prioriteiten. Initiatief nam betrokkene vooral nadat hij aangespoord moest worden, dan wel exact gezegd was wat hij moest doen. Dit raakt volgens de leidinggevende ook de kern van het negatieve advies. Betrokkene voerde zaken in voldoende mate uit als hem gezegd was wat hij moest doen, maar kwam niet zelf met vooruitstrevende oplossingen en initiatieven. De leidinggevende kan zich niet herinneren dat betrokkene destijds iemand begeleid of gecoacht heeft. De leidinggevende bevestigt tot slot dat hij betrokkene niet geschikt acht voor de functie van senior GGP.

5.2.3.

Anders dan betrokkene meent is daarmee het advies van 28 februari 2013 alsnog voldoende onderbouwd. Uit de nadere toelichting op het advies volgt immers genoegzaam dat en waarom betrokkene nog niet voldeed aan het criterium van verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Het oordeel van de leidinggevende over de competenties, die de kern van de functie van senior GGP raken, staan dan ook in de weg aan een positief oordeel over de verwachte geschiktheid van betrokkene voor die functie. Hiermee heeft appellant eerst in hoger beroep een deugdelijke onderbouwing gegeven van het bestreden besluit. Aannemelijk is dat betrokkene hierdoor niet is benadeeld. De Raad zal daarom dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren.

5.3.

Ook overigens is niet gebleken dat het advies op onjuiste gronden berust. Dat inspecteur [naam 2] als informant bij de onder 1.5 genoemde beoordeling heeft verklaard dat hij tijdens de bespreking van de beoordeling kenbaar heeft gemaakt dat hij betrokkene geschikt acht voor de functie van senior GGP, kan niet op één lijn worden gesteld met het in het loopbaanbeleid vereiste advies van de leidinggevende. Hierbij komt dat uit die verklaring niet naar voren komt dat het advies van de leidinggevende feitelijke onjuistheden bevat. Verder blijkt uit de verklaring van de leidinggevende, als vermeld in het email-bericht van 28 maart 2017, dat hij de mening van [naam 2] met betrekking tot de verwachte geschiktheid niet kon onderschrijven.

5.4.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen en zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:5000) is het beleid van de Eenheid Amsterdam, waarbij een assessment wordt aangeboden na een negatief advies van de leidinggevende over de geschiktheid van de betrokkene, een gunstige aanvulling op het landelijke beleid. Het assessment biedt dus een extra kans om in het kader van het loopbaanbeleid te worden bevorderd naar senior GGP.

5.5.

Om voor bevordering van generalist GGP naar senior GGP in aanmerking te komen heeft appellant vastgesteld dat voor het assessment een score van 5,7 of hoger behaald moet worden. Dat betrokkene de score van ten minste 5,7 niet heeft gehaald, is tussen partijen niet in geschil. Betrokkene heeft wel betoogd dat de normscore van 5,7 op onjuiste wijze is vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5089) moet deze normscore als een gegeven worden beschouwd dat zich niet leent voor een toetsing als door betrokkene gewenst, nu het assessment een extra kans betreft.

5.6.

Ten aanzien van het beroep van betrokkene op de hardheidsclausule, als neergelegd in het beleidsdocument, overweegt de Raad als volgt. Daarin is bepaald dat in geval generalisten die menen ten onrechte buiten de regeling te vallen, zich schriftelijk en gemotiveerd kunnen wenden tot de politiechef en de voorzitter van de ondernemingsraad in de Eenheid [Eenheid] . Het unanieme oordeel van deze beiden zal, in de vorm van een voor beroep vatbare beslissing van de politiechef aan betrokkene worden meegedeeld. De Raad heeft in het dossier niet een dergelijk, aan de politiechef en de voorzitter van de ondernemingsraad gericht, schriftelijk en gemotiveerd verzoek van betrokkene aangetroffen, zodat reeds daarom de stelling van betrokkene dat een dergelijk oordeel over hem ten onrechte niet door de politiechef en de voorzitter van de ondernemingsraad is gegeven, geen doel treft.

5.7.

Uit 5.2.1 tot en met 5.6 volgt dat appellant zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat betrokkene niet beschikt over de verwachte geschiktheid.

5.8.

Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren. Daarmee is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 21 oktober 2015. De Raad zal ook dat besluit vernietigen.

6. Gelet op wat in 5.2.3 is overwogen, bestaat er aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van €1.237,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor indienen verweerschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze, €495,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- vernietigt het besluit van 21 oktober 2015;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van €1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) A. Mansourova

HD