Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
16/4246 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om de uitloopschaal toe te kennen. Niet is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de 50+ regeling gestelde voorwaarde, inhoudende dat de ambtenaar (eerst) minimaal één jaar een salaris heeft genoten ter hoogte van het maximum van de aan zijn functionele rang verbonden schaal, te weten schaal 9, periodiek 11.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4246 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 mei 2016, 15/3015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college)

Datum uitspraak: 21 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.R.F.J. Palmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.L.M. van de Laar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Palmen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van de Laar.

Na de zitting is het onderzoek heropend. Op verzoek van de Raad heeft het college gereageerd op het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat appellante ter zitting heeft gedaan. Appellante heeft een reactie hierop ingezonden, waarna het college een toelichting heeft gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Op 9 november 2017 is het onderzoek ter zitting hervat. Appellante is opnieuw verschenen, bijgestaan door mr. Palmen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Laar, mr. E.E.J.P Arts-Frehen en J.M.L. Smeijsters.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1965, is sinds 1987 in dienst bij de gemeente Brunssum.

Van 1 mei 2008 tot 1 maart 2012 was zij aangesteld als [naam functie 1] bij de [afdeling 1], welke functie is gekoppeld aan het generieke [functieprofiel 1], gewaardeerd in functieschaal 8. Met ingang van 1 maart 2012 is deze functie komen te vervallen.

1.2.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het college appellante met ingang van 1 maart 2012 benoemd in de [naam functie 2]. Deze functie is gekoppeld aan het generieke [functieprofiel 2], gewaardeerd in functieschaal 9. Het college heeft hierbij opgemerkt dat de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van appellante vooralsnog ongewijzigd blijven. De bezoldiging van appellante is gebaseerd op aanloopschaal 8, periodiek 11.

1.3.

Bij brief van 13 maart 2012 heeft appellante te kennen gegeven dat zij vanwege de aard van de werkzaamheden mede in relatie tot haar persoonlijke omstandigheden niet kan ingaan op het aanbod van het college voor de [naam functie 2].

1.4.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft het college appellante meegedeeld dat vanaf 1 maart 2012 een nieuwe rechtspositionele situatie ontstaat. De functie van appellante als [naam functie 1] is per 1 maart 2012 vervallen en appellante heeft te kennen gegeven niet in te kunnen gaan op het aanbod van het college voor de [naam functie 2]. Onder verwijzing naar artikel 15:1:10, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst, is appellante meegedeeld met welke taken en werkzaamheden bij de [afdeling 1] zij vooralsnog is belast. Tevens is haar meegedeeld dat deze taken en werkzaamheden geen gevolgen hebben voor haar bezoldiging, rechtspositie en arbeidsvoorwaarden. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.

Vanaf juni 2013 heeft appellante op tijdelijke basis werkzaamheden verricht voor de [afdeling 2]. Deze werkzaamheden zijn gekoppeld aan het generieke [functieprofiel 3], gewaardeerd in functieschaal 7.

1.6.

Appellante heeft op 8 december 2014 tijdens een gesprek met haar leidinggevende verzocht om toekenning van een uitloopschaal op grond van de Regeling voor het toekennen van een extra bezoldiging aan ambtenaren die 50 jaar of ouder zijn 2011 (50+ regeling).

1.7.

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het college dit verzoek afgewezen. Het college heeft daaraan, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat toekenning van uitloopschaal 9 slechts kan plaatsvinden als appellante gedurende een langere periode werkzaamheden op het niveau van functieschaal 8 heeft uitgevoerd. Deze situatie doet zich niet voor.

1.8.

Bij besluit van 8 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2015 ongegrond verklaard en dat besluit onder overneming van de overwegingen in het advies van de commissie voor de bezwaarschriften gehandhaafd. Aan de weigering om de uitloopschaal toe te kennen is artikel 2, eerste lid, van de 50+ regeling ten grondslag gelegd. In het geval van appellante is niet voldaan aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde dat (eerst) minimaal één jaar een salaris is genoten ter hoogte van het maximum van de aan haar functionele rang verbonden schaal. Dat is de schaal die verbonden is aan de [naam functie 2] waarin appellante is benoemd (schaal 9).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1 van de 50+ regeling wordt verstaan onder uitloopschaal: de naasthogere schaal van de schaal (functieschaal) die bepaald wordt met behulp van de “Procedureregeling functiebeschrijving en -waardering gemeente Brunssum”.

4.2.

In artikel 2 van de 50+ regeling is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“1. Aan de ambtenaar aangesteld door de gemeente Brunssum voor de datum van 1 november 2011 wordt, nadat deze ambtenaar minimaal één jaar een salaris heeft genoten ter hoogte van het maximum van de aan zijn functionele rang verbonden schaal, met ingang van het jaar waarin hij de 50-jarige leeftijd bereikt:

a. indien hij is ingedeeld in een van de schalen 1 tot en met 10, een uitloopschaal toegekend;

b. (…)

2. Voorwaarde voor toekenning van (…) een uitloopschaal als bedoeld in sub a (…) van lid 1 van dit artikel, is dat voldaan moet worden aan de eisen die aan de functievervulling verbonden zijn. Omtrent de wijze van functievervulling wordt een personeelsbeoordeling opgemaakt volgens de regelen betreffende de methodische personeelsbeoordeling dan wel met inachtneming van de criteria vervat in deze regelen.”.

4.3.

Anders dan appellante en met het college is de Raad van oordeel dat het rechtsgevolg van het besluit van 23 januari 2012 is dat zij benoemd is in de [naam functie 2]. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit en het college heeft het (nadien) niet ingetrokken of daar anderszins (op enigerlei wijze) afstand van gedaan. Dat laatste kan ook niet worden afgeleid uit het besluit van 22 maart 2012. Het besluit van 23 januari 2012 is dus in rechte onaantastbaar geworden. Daaraan doet niet af dat appellante in haar brief van

13 maart 2012 te kennen heeft gegeven niet in te kunnen gaan op het aanbod van het college voor de [naam functie 2]. Deze brief kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift en het college heeft de rechtspositie van appellante - zoals kenmerkend is voor het ambtenarenrecht - eenzijdig kunnen vaststellen.

4.4.

Gelet op het vorenstaande heeft het college terecht tot uitgangspunt genomen dat appellante ten tijde van belang (formeel) was benoemd in de [naam functie 2], welke functie is gekoppeld aan het generieke [functieprofiel 2] en is gewaardeerd in functieschaal 9. De stelling van appellante dat het besluit van 23 januari 2012 ‘niet door de beugel kan’, leidt niet tot een ander oordeel. Als appellante dit besluit onrechtvaardig vond met het oog op de gevolgen daarvan voor haar (eventuele) aanspraken op de 50+ regeling had zij bezwaar moeten maken tegen het besluit van 23 januari 2012. Dit heeft zij, zoals gezegd, niet gedaan.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 is niet voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de 50+ regeling gestelde voorwaarde, inhoudende dat de ambtenaar (eerst) minimaal één jaar een salaris heeft genoten ter hoogte van het maximum van de aan zijn functionele rang verbonden schaal, te weten schaal 9, periodiek 11. Reeds hierom heeft het college appellante niet in aanmerking hoeven brengen voor een uitloopschaal op grond van de 50+ regeling.

4.6.

Anders dan appellante heeft betoogd, brengt het haar gegarandeerde behoud van haar rechtspositie niet mee dat zij bij het bereiken van de 50-jarige leeftijd in aanmerking kwam voor een uitloopschaal op grond van de 50+ regeling, zonder te toetsen of zij voldeed aan de toepassingsvoorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen.

4.7.

Het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op dit beginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier geen sprake.

4.8.

Appellante heeft verder met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogd dat zij, net als haar collega T, in aanmerking dient te komen voor een uitloopschaal 9. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij en T beiden de functie [naam functie 1] bij de [afdeling 1] vervulden en de maximale trede van de functieschaal 8 hadden bereikt, en dat zij beiden niet aan de slag zijn gegaan in de [naam functie 2] maar andere werkzaamheden op een lager niveau zijn gaan verrichten. Het college heeft daar onder meer tegenover gesteld dat appellante in tegenstelling tot T is benoemd tot [functienaam 2], zij het dat zij op haar verzoek feitelijk andere werkzaamheden is gaan vervullen. T is in het kader van een functieruil benoemd in een functie met functieschaal 7, waarbij het college heeft aanvaard dat T naar een lager gewaardeerde functie overging met behoud van haar bestaande rechten. De Raad leidt verder uit de stukken af dat de functieruil van T heeft plaatsgevonden per 1 februari 2012, dus een maand voordat de functie van [naam functie 1] is vervallen. De conclusie is dat ondanks de geschetste overeenkomsten niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een op rechtens relevante aspecten gelijk geval.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H. Lagas en

J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Tuit

HD