Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
17/3021 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Detacheringen. Ongeschiktheidsontslag. Berisping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3021 AW, 17/3022 AW, 17/3023 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
3 maart 2017, 15/3777, 16/1077 en 16/1078 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college)

Datum uitspraak: 14 december 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.M. van de Laar,

W. Spelthan, mr. E.E.J.P. Aarts en J.M.L. Smeijsters.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was vanaf 1 december 1988 in dienst bij de gemeente Brunssum, tot begin 2011 was zij werkzaam als [medewerker 1]. Vanaf 15 februari 2011 is appellante met betaald verlof gestuurd als gevolg van een incident waarbij zij was betrokken en dat ertoe leidde dat haar leidinggevenden en haar - directe - collega’s het vertrouwen in haar verloren. Vervolgens is het college op zoek gegaan naar andere passende werkzaamheden voor appellante buiten de afdeling waar zij, voorafgaande aan haar betaald verlof, werkzaam was. Omdat een passende werkplek binnen de gemeente niet voor handen was, heeft het college gezocht naar een passende werkplek buiten de gemeente. Dit heeft ertoe geleid dat appellante op 2 mei 2011 bij [X.], onderdeel van [Y.], aan de slag is gegaan in een functie met soortgelijke werkzaamheden als in haar eigen functie bij de gemeente. Per 5 december 2013 heeft de directeur van [X.] de detacheringsovereenkomst die hij met het college had gesloten in het kader van de tewerkstelling van appellante beëindigd. Reden voor de beëindiging was dat de werkhouding van appellante en het resultaat van haar werkzaamheden ondermaats waren en de gesprekken die met haar daarover de twee daaraan voorafgaande jaren herhaaldelijk zijn gevoerd niet tot verbetering hebben geleid. Vervolgens heeft het college opnieuw naar ander werk voor appellante gezocht, zowel binnen als buiten de gemeente. Dit heeft ertoe geleid dat appellante met ingang van 24 juni 2014, in eerste instantie voor een periode van drie maanden, aan de slag is gegaan bij [Z.] ([Z.]) te [vestigingsplaats]. Op 18 augustus 2014 zijn appellante en [Z.] gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de werkzaamheden geen zin heeft, waarna de samenwerking is beëindigd. Appellante wilde liefst archiefwerkzaamheden verrichten en de medewerkers van [Z.] zagen geen toegevoegde waarde in appellante. Van de zijde van [Z.] is over het functioneren van appellante aangegeven dat het gedrag van appellante en haar werkhouding ondermaats zijn en dat zij sinds de aanvang van haar werkzaamheden op 24 juni 2014 geen verbetering heeft laten zien.

2.1.

Op 9 januari 2014 is een beoordeling van het functioneren van appellante opgemaakt over de periode van 4 januari 2013 tot 27 november 2013. Het functioneren van appellante is in zijn geheel als onvoldoende beoordeeld. Bij besluit van 24 juni 2014 is de beoordeling vastgesteld. Na bezwaar heeft het college deze beoordeling gehandhaafd bij besluit van
24 november 2015 (bestreden besluit 1).

2.2.

Bij brief van 29 september 2014 heeft het college appellante meegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken haar opnieuw te detacheren. Het college is van mening dat voortzetting van het dienstverband bij de gemeente Brunssum niet wenselijk is en kondigt aan tot ontslag over te willen gaan. Het college biedt appellante een beëindigingsregeling aan alvorens de ontslagprocedure te starten. De beëindigingsregeling is niet tot stand gekomen.

2.3.

Nadat hij zijn voornemen hiertoe kenbaar had gemaakt en appellante hierop schriftelijk haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 11 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2016 (bestreden besluit 2), appellante met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) en met inachtneming van de termijn van de re-integratiefase eervol ontslag verleend per 15 juni 2016 wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de functie anders dan op grond van ziekten of gebreken.

2.4.

In het ontslagbesluit heeft het college vermeld dat hij een re-integratieplan (plan) zal opstellen waarbij appellante in de gelegenheid wordt gesteld een bijdrage te leveren aan de inhoud van het plan. Bij brief van 20 augustus 2015 heeft het college het concept plan aan appellante toegestuurd. Uit de brief blijkt dat het niet is gelukt om met haar in contact te treden en dat dit tot uitstel heeft geleid. Het college heeft appellante verzocht binnen zeven dagen te reageren. Ook nadat aan appellante hiertoe uitstel is verleend en aan haar is meegedeeld dat het plan als basis zal dienen voor verdere acties in re-integratieverband en dat zij zal worden gehouden aan het gestelde in het plan en de daarin opgenomen uitgangspunten, heeft zij niet (inhoudelijk) gereageerd op het plan. Bij brief van 10 september 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat hij per direct overgaat tot het eenzijdig vaststellen van het plan zoals dat in concept aan haar is toegezonden. Voorts heeft het college appellante gewaarschuwd dat een voortdurende niet constructieve houding dan wel het niet nakomen van verplichtingen tijdens de re-integratie rechtspositionele gevolgen kan hebben en welke gevolgen dat zijn.

2.5.

Nadat hij zijn voornemen hiertoe kenbaar had gemaakt en appellante hierop schriftelijk haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 21 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2016 (bestreden besluit 3), met toepassing van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO appellante de disciplinaire straf van berisping opgelegd. Het college is van mening dat appellante, ondanks een waarschuwing aan haar, onvoldoende de in het plan vastgelegde re-integratieverplichting is nagekomen door het eerste driegesprek zonder geldige reden te annuleren. Het college acht de gedraging verwijtbaar en de straf van schriftelijke berisping niet onevenredig.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, het volgende overwogen.

3.1.

Wat betreft de beoordeling van het functioneren over 2013 (bestreden besluit 1) heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het toetsingskader als vermeld in vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) overwogen dat de stukken waarnaar het college heeft verwezen en die dienen ter onderbouwing van de beoordeling, de beoordeling begrijpelijk maken. De beoordeling berust niet op onvoldoende gronden. Het college heeft appellante duidelijk gemaakt dat zij niet naar behoren functioneerde omdat zij zowel kwalitatief als kwantitatief onder de maat presteerde, zij tegen gemaakte afspraken in te laat op het werk kwam en veel onnodig discussieerde over afspraken en procedures. Appellante is meermaals op haar disfunctioneren aangesproken en zij heeft de kans gekregen haar functioneren te verbeteren. Het had appellante duidelijk kunnen en moeten zijn wat van haar werd verwacht. Het college heeft het functioneren van appellante over 2013 op goede gronden als onvoldoende beoordeeld.

3.2.

Wat betreft het ontslag (bestreden besluit 2) heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het toetsingskader ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1666) overwogen dat het college met de gedragingen die hij appellante verwijt en die blijken uit de vele bijlagen die basis zijn geweest voor het ontslagbesluit de ongeschiktheid van appellante heeft aangetoond. Uit de bijlagen blijkt ook dat appellante op haar functioneren is aangesproken en de gelegenheid heeft gehad voor verbetering. De omstandigheid dat het functioneren van appellante voor 2011 nooit aan de orde is gesteld is feitelijk onjuist. Los daarvan raakt het functioneren van appellante in de periode van voor 2011 de basis van het ontslag niet, omdat die is gelegen in haar functioneren vanaf 2011. Ook de omstandigheden dat appellante gedetacheerd is naar aanleiding van een incident, haar functioneren nadien gedocumenteerd is en dat bij de beoordeling van haar functioneren discussiegedrag en houding en gedrag een centrale rol hebben gespeeld, ofschoon feitelijk juist, tasten ook de basis van het ontslag niet aan, nu het erom gaat of het college bevoegd is om appellante te ontslaan vanwege onvoldoende functioneren.

3.3.

Wat betreft de schriftelijke berisping (bestreden besluit 3) heeft de rechtbank, eveneens onder verwijzing naar het toetsingskader als verwoord in vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 10 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0392) overwogen dat appellante niet naar behoren heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Zij heeft het eerste drie-gesprek eenzijdig geannuleerd in strijd met de afspraken daarover in het plan. De beroepsgrond dat appellante niet aan de verplichtingen in het plan was gehouden omdat zij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming ervan en er aldus geen sprake is van plichtsverzuim slaagt niet. Het college heeft appellante de gelegenheid geboden om op het concept plan te reageren. Het college heeft appellante aldus betrokken bij het tot stand komen van het plan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was binnen de gegeven termijn, die ruim voldoende was, met een gedegen reactie te komen. Aldus heeft appellante niet naar behoren meegewerkt aan haar re-integratie. Het is de rechtbank niet gebleken dat het plichtsverzuim appellante niet is toe te rekenen. De rechtbank acht de straf van schriftelijke berisping niet onevenredig.

3.4.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd zowel wat betreft het oordeel over de beoordeling, het ontslag als de schriftelijke berisping.

3.5.

Het college heeft in zijn verweer voor bevestiging van de aangevallen uitspraak gepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de door haar in beroep ingenomen standpunten. De rechtbank heeft deze standpunten in de aangevallen uitspraak afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. Appellante heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd of nieuwe informatie overgelegd die aanleiding kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2.

De Raad gaat voorbij aan wat appellante heeft aangevoerd over het incident waarbij zij begin 2011 betrokken is geweest. Wat hiervan ook zij, uit de bestreden besluiten, noch uit de onderliggende stukken waarop de bestreden besluiten rusten, blijkt dat dit incident op enigerlei wijze betrokken is geweest in de besluitvorming van het college.

Beoordeling

4.3.

Ook in hoger beroep heeft appellante, ter onderbouwing van haar betoog dat de beoordeling over 2013 geen stand kan houden, verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 januari 2016. Bij die uitspraak heeft de rechtbank, kort samengevat, het besluit van 19 mei 2015 waarbij het functioneren van appellante over 2012 als onvoldoende is gekwalificeerd, vernietigd. De Raad gaat aan dit betoog eveneens voorbij nu hij bij uitspraak van 15 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4826) voormelde uitspraak van de rechtbank heeft vernietigd en het beroep tegen het besluit van 19 mei 2015 ongegrond heeft verklaard. Aldus is de - oorspronkelijke - beoordeling over het functioneren van appellante over 2012 definitief vastgesteld.

4.4.

Het betoog van appellante dat het college tijdens de detachering van appellante niet (meer) bevoegd was om rechtspositionele besluiten te nemen over haar, wordt niet gevolgd. Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3534), volgt dat tijdens de detachering van een ambtenaar het dienstverband met het bestuursorgaan dat de ambtenaar heeft aangesteld blijft bestaan en dat het bestuursorgaan het bevoegd gezag blijft voor zover dit met de detacheringsovereenkomst verenigbaar is. De detacheringsovereenkomst met [X.] bevat geen nadere uitwerking of invulling van eventuele (overdracht van) rechtspositionele besluitvorming. Het college was dan ook het bevoegd gezag om rechtspositionele besluiten te nemen.

4.5.

Uit de beoordeling blijkt voorts dat deze ziet op haar feitelijke werkzaamheden over 2013 bij [X.] en dat het afdelingshoofd Beheer en Behoud [X.] en de Coördinator Archiven [X.] als informanten bij deze beoordeling zijn betrokken nu zij belast waren met de dagelijkse leiding. Daarnaast blijkt dat gedurende de beoordelingsperiode meermalen contact is geweest, zowel tussen de 1e beoordelaar, Hoofd Informatiebeheer bij de gemeente Brunssum, en de informanten als ook tussen de 1e beoordelaar en appellante. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden dat sprake is geweest van vooringenomenheid bij de leidinggevende die de beoordeling van haar functioneren heeft opgesteld.

Ontslag

4.6.

Wat het ongeschiktheidsontslag betreft wijst de Raad erop dat het functioneren van appellante over 2012 en 2013 onvoldoende was. Appellante is meermalen aan de hand van concrete voorbeelden duidelijk gemaakt op welke punten haar functioneren tekortschoot. Zij heeft voorts voldoende kansen gekregen om haar functioneren te verbeteren en deze kansen heeft zij niet weten te benutten. Het college was dan ook bevoegd appellante met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO te ontslaan. Voorts heeft het college in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik kunnen maken. In dit kader merkt de Raad nog op dat de werkzaamheden van appellante bij [X.] wat betreft omvang en inhoud soortgelijk waren aan de werkzaamheden in haar functie bij de gemeente Brunssum.

Berisping

4.7.

Wat betreft de schriftelijke berisping volstaat de Raad met een verwijzing naar de uitvoerige motivering in de aangevallen uitspraak, in het bijzonder rechtsoverweging 20. Met de rechtbank is hij van oordeel dat de appellante verweten gedraging is komen vast te staan, dat deze gedraging haar kan worden toegerekend en dat de straf van schriftelijke berisping in deze niet onevenredig is.

4.8.

De Raad komt ten slotte niet toe aan bespreking van het betoog van appellante dat het college onvoldoende re-integratieinspanningen heeft verricht. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:758) laat de vraag of er voldoende re-integratieinspanningen na het ontslagbesluit zijn verricht zich niet beantwoorden in het kader van het beroep tegen het ontslagbesluit. Die vraag kan aan de orde komen op het moment dat het ontslag wordt geëffectueerd.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) L.V. van Donk

HD