Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
16/3236 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen hoofdverblijf op uitkeringsadres. Boete, ten onrechte afgerond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3236 PW

Datum uitspraak: 19 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 april 2016, 15/3831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van Viegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Namens appellant is verschenen mr. Van Viegen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 23 april 2014, na een periode van detentie, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant huurde ten tijde hier van belang sinds 1 mei 2014 een kamer aan [het uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). De huur van € 400,- werd ingehouden op de bijstand en maandelijks aan de verhuurder doorbetaald. In de basisregistratie personen (BRP) stonden op het uitkeringsadres zeven personen ingeschreven, waaronder appellant, B en G.

1.2.

Op 12 januari 2015 hebben fraudecontroleurs van de gemeente Groningen in verband met een aanvraag om bijstand van B een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres, waar B sinds 1 januari 2015 een kamer huurde. B toonde een vrijwel lege kamer. In het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand van G hebben de fraudecontroleurs op 13 januari 2015 weer een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. G was in de woning aanwezig, maar verklaarde dat hij daar vanaf 1 december 2014 niet meer woonde en dat hij zijn spullen in de kamer van appellant had opgeslagen. G heeft de kamer van appellant getoond, met daarin spullen van G en van B. B heeft later verklaard dat hij de kamer van appellant tijdelijk voor opslag mocht gebruiken. Twee andere bewoners hebben verklaard dat appellant wel een kamer huurt en zo nu en dan de post ophaalt, maar dat hij dan direct weer vertrekt en er nooit slaapt. Appellant is in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand uitgenodigd voor een gesprek op 23 januari 2015. Hij is, zonder bericht, niet verschenen. Bij besluit van 23 januari 2015 heeft het college de betaling van de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2015 geblokkeerd. Op 30 januari 2015 hebben de fraudecontroleurs een gesprek gevoerd met appellant, waarna zij aansluitend een huisbezoek hebben afgelegd op het uitkeringsadres. Bij brief van 9 februari 2015 heeft appellant een reactie gegeven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport Fraudecontrole van 27 februari 2015.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 3 maart 2015 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2014 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 december 2014 tot een bedrag van € 7.860,37 bruto van appellant terug te vorderen. Bij besluit van 17 maart 2015 (besluit 2) heeft het college appellant een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van

€ 3.200,-, zijnde 50% van het netto benadelingsbedrag.

1.4.

Bij besluit van 31 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, de bijstand ingetrokken met ingang van

1 december 2014 en de over de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 981,16 van appellant teruggevorderd. De boete is vastgesteld op een bedrag van € 410,-. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en hij heeft zijn woonsituatie vanaf 1 december 2014 niet duidelijk gemaakt. Appellant heeft daarmee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellant heeft verder aangevoerd dat het onderzoek niet volledig is geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 december 2014 tot en met 3 maart 2015.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt daarbij geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de BRP.

4.4.

De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5.1.

De bevindingen tijdens het huisbezoek op 30 januari 2015 houden in dat in de kamer van appellant niet veel spullen stonden en dat het merendeel daarvan aan G toebehoorde. Alleen twee lege planken aan de muur, de gordijnen, een lattenbodem en een matras waren van appellant. De lattenbodem en het matras lagen niet op de grond, zoals appellant voorafgaand aan het huisbezoek had verklaard, maar stonden tegen de muur. In één van de twee kasten, die van de eigenaar van de woning waren, lagen een donsdeken en een kussen. Verder waren deze kasten leeg. Hoewel appellant voorafgaand aan het huisbezoek had verklaard dat er kleding van hem in zijn kamer lag, werd er geen kleding aangetroffen. Er waren ook geen toiletartikelen aanwezig en evenmin etenswaren. In de kamer stond een lege koelkast. Afgezien van de post die appellant bij het binnentreden van de woning uit zijn postvakje in de hal had gehaald, lag geen administratie in de kamer.

4.5.2.

Deze bevindingen rechtvaardigen de conclusie van het college dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De verklaring van appellant dat zijn kleding ergens anders was om te worden gewassen, dat hij zijn post altijd weggooit en dat zijn toiletartikelen net op waren, is zonder onderbouwing ervan, die ontbreekt, niet geloofwaardig. Deze doet daarom aan het voorgaande niet aan af. De bevindgingen tijdens het huisbezoek laten niets aan duidelijkheid te wensen over. In dat licht, was, anders dan appellant heeft aangevoerd, voor een uitgebreider huisbezoek, waarbij volgens appellant ook de keuken en de badkamer hadden moeten worden bekeken, geen aanleiding.

4.5.3.

Uit de verklaring die appellant op 30 januari 2015 heeft afgelegd en uit zijn schriftelijke reactie van 9 februari 2015 komt naar voren dat hij in december 2014 weinig in zijn kamer was en ongeveer twintig uur per dag bij zijn oma verbleef om voor haar te zorgen. Ook uit de door appellant overgelegde getuigenverklaringen blijkt dat appellant dagelijks bij zijn oma was en ook de nachtelijke zorg voor haar op zich had genomen. Appellant heeft verklaard dat hij, nadat zijn oma eind december 2014 was overleden, nog veel moest regelen en daardoor overdag niet veel in zijn kamer was, maar er wel sliep. Gelet op de bevindingen, vermeld onder 4.5.1, waaruit blijkt dat appellant eind januari 2015 zijn hoofdverblijf niet in zijn kamer had en zijn verklaring dat in zijn woonsituatie niet veel was veranderd sinds 1 december 2014, is de conclusie van het college dat appellant vanaf 1 december 2014 geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres gerechtvaardigd. Daarbij is van betekenis dat G vanaf 1 december 2014 zijn spullen op de kamer van appellant mocht zetten en appellant zich tijdens het huisbezoek verrast toonde dat ook B zijn kamer gebruikte voor opslag van spullen. De beroepsgrond van appellant dat hij vanaf 1 december 2014 nog wel zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, slaagt daarom niet.

4.6.

Door bij het college niet te melden dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het college gehouden was de bijstand over die periode in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van appellant terug te vorderen.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd, zodat dit onderdeel geen bespreking behoeft.

Boete

4.8.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met inachtneming van het feit dat per 1 januari 2017 artikel 18a van de PW en het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit) zijn gewijzigd.

4.9.

Gelet op 4.5.1 tot en met 4.5.3 heeft het college aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was dan ook in beginsel verplicht een boete op te leggen en heeft daarbij terecht als uitgangspunt genomen dat sprake is van normale verwijtbaarheid en dat de hoogte van de boete daarom moet worden vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

4.10.

Het college heeft het bedrag van de vastgestelde boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit, zoals dat luidde tot 1 januari 2017, naar boven afgerond op

€ 410,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 400,58 passend en geboden is.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 410,-. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb het boetebedrag vaststellen op € 400,58.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 1.980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2015 gegrond en vernietigt dit besluit

voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 410,-;

- herroept het besluit van 17 maart 2015;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 400,58 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 31 augustus 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) S.A. de Graaff

HD