Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
15/6647 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging opvang Vluchthaven, weigering WMO-opvang, VBL is voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6647 WMO, 15/6648 WMO, 15/6967 WMO, 15/7026 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2015, 14/6735 en 14/7193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6931, 15/6933, 15/7268, 15/6612, 15/6614, 15/6734, 15/6647, 15/6648, 15/6967, 15/7026, 15/6733, 15/6824 en 15/7279 heeft gevoegd plaatsgehad op 26 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Het college heeft betrokkene vanaf 29 november 2013 opvang verleend in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven).

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft het college bepaald dat betrokkene niet in aanmerking komt voor opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 15 oktober 2014 (bestreden besluit I) heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Op 24 juni 2014 heeft betrokkene het college verzocht de opvang na de ontruiming van de Vluchthaven te continueren. Het college heeft deze aanvraag aangemerkt als aanvraag om Wmo-opvang en deze aanvraag bij besluit van 4 juli 2014 afgewezen. Bij besluit van
6 oktober 2014 (bestreden besluit II) heeft het college de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk 14/7193, gericht tegen bestreden besluit I, gegrond verklaard, bestreden besluit I vernietigd, het besluit van 16 juni 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de

bed-bad-broodvoorziening. Ook het beroep in de zaak met kenmerk 14/6735, gericht tegen bestreden besluit II, heeft de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft bestreden besluit II vernietigd, het besluit van 16 juni 2014 herroepen en de aanvraag van 24 juni 2014 afgewezen.

3. Appellante en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De omstandigheid dat het college op 16 juni 2014 al had besloten dat betrokkene niet in aanmerking komt voor opvang als bedoeld in de zin van de Wmo, betekent niet dat de brief van 24 juni 2014, waarin is verzocht de opvang na de ontruiming van de Havenstraat te continueren, geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De hierop gerichte beroepsgrond van betrokkene faalt dan ook.

4.2.

De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van de hoger beroepen van het college en betrokkene wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB