Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
15/5178 MPW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2017:4388 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2017:3883. Vaststelling ingangsdatum pensioen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5178 MPW-G, 17/3148 MPW-G

Datum uitspraak: 2 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2015, 14/11645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

De minister heeft op 15 maart 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van oktober 1988 tot en met december 1989 in militaire dienst geweest. Op 29 maart 1990 is een proces-verbaal van ongeval opgemaakt ter zake van een gebeurtenis op of omstreeks 19 december 1988. In het proces-verbaal heeft appellant verklaard dat hij tijdens een sportles is gevallen en zijn rechterpols heeft geblesseerd. Op de foto’s die enkele weken later zijn gemaakt, was niets te zien. Appellant heeft verder verklaard dat bij het uitkeuren bij het afzwaaien, één jaar later, opnieuw foto’s zijn gemaakt en dat toen bleek dat zijn pols gebroken is geweest. In het proces-verbaal staat verder dat er geen getuigen van het appellant overkomen ongeval zijn aan te wijzen.

1.2.

Bij brief van 2 oktober 1990 is appellant bericht dat op grond van het proces-verbaal niet is vast te stellen of appellant op of omstreeks 19 december 1988 een ongeval is overkomen gedurende de uitoefening in militaire dienst.

1.3.

Bij brief van 28 juli 2010 heeft appellant verzocht om een militair invaliditeitspensioen.

1.4.

Appellant is aan een geneeskundig onderzoek onderworpen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 23 december 2010. Daarin is gesteld dat bij appellant sprake is van een dienstverbandaandoening aan de rechterpols en dat de mate van invaliditeit ten gevolge van die aandoening 20% bedraagt.

1.5.

Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft de minister het verzoek van appellant om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen op de grond dat nog steeds niet objectief kan worden vastgesteld of appellant op of omstreeks 19 december 1988 tijdens de uitoefening van de militaire dienst (sportles) een ongeval is overkomen waarbij hij zijn rechter pols heeft geblesseerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Den Haag heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 10 april 2012 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het daartegen ingestelde verzet is bij uitspraak van 15 augustus 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verzetschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend.

1.6.

Bij brief van 12 december 2013 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 24 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 november 2014 (bestreden besluit) heeft de minister dat verzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat ten opzichte van het besluit van 17 augustus 2011 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Bij het nadere besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2013 ten dele gegrond verklaard. In afwijking van het bestreden besluit heeft de minister alsnog dienstverband aanvaard voor een aandoening aan de rechterpols. De mate van invaliditeit is daarbij bepaald op 20%. Aan appellant is ingaande 12 december 2013 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een percentage van 20.

3.1.

Appellant kan zich met dit nadere besluit niet verenigen voor zover de minister daarin geen aanleiding heeft gezien de ingangsdatum van het militair invaliditeitspensioen vast te stellen op een eerdere datum dan die van zijn verzoek van 12 december 2013. Volgens appellant had de datum van zijn eerste verzoek, 28 juli 2010, in acht moeten worden genomen. De Raad zal dit besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het nadere besluit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.2.

Het nadere besluit behelst toekenning van een militair invaliditeitspensioen voor de toekomst. Appellant heeft te kennen gegeven zich met dit deel van het nadere besluit te kunnen verenigen. Wat betreft het verleden heeft de minister zijn eerdere weigering gehandhaafd, dit omdat er volgens de minister ten opzichte van het besluit van 17 augustus 2011 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Daarmee kan appellant zich niet verenigen. Volgens appellant had het op de weg van zijn toenmalige commandant gelegen om in 1990, ten behoeve van het opstellen van het proces-verbaal, getuigen van het ongeval op te sporen. Het kan appellant daarom niet worden verweten dat hij niet eerder getuigen heeft aangereikt. Het alsnog inbrengen van een getuigenverklaring door appellant is een nieuw feit. Uit die verklaring blijkt dat appellant tijdens de sportles een blessure heeft opgelopen.

4.3.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

Niet valt in te zien, en ook niet gesteld is, dat wat door appellant is ingebracht niet al in het kader van een bezwaar- en beroepsprocedure tegen het besluit van 17 november 2011 had kunnen worden aangevoerd. Dat het destijds vanwege diverse termijnoverschrijdingen niet is gekomen tot een inhoudelijke behandeling van het bezwaar, komt voor rekening en risico van appellant. De minister heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dat betekent dat de ingangsdatum van het pensioen op 12 december 2013 mocht worden gesteld.

4.5.

Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat het nadere besluit standhoudt. De Raad zal het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaren.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2014 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2017 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat de minister het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD