Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
16-3462 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2781, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijstandsaanvraag. Wonen op uitkeringsadres niet aannemelijk gemaakt. Schending inlichtingenverplichting. Niet komen op gesprek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3462 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2016, 15/5993 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 19 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Namens appellante is verschenen mr. Smit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L. Jagt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 13 maart 2015 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend. Daarbij heeft appellante te kennen gegeven dat zij met haar drie kinderen inwoont bij de ouders van haar ex-partner, aan het [adres] te [woonplaats] .

1.2.

Bij brieven van 16 en 27 maart 2015 heeft het college appellante verzocht om nadere informatie over haar woon- en financiële situatie. Appellante heeft op 8 april 2015 een deel van de gevraagde gegevens verstrekt. Bij brief van 15 april 2015 heeft het college bankafschriften bij appellante opgevraagd en haar uitgenodigd voor een gesprek op 27 april 2015. Het college heeft bij brief van 20 april 2015 de afspraak verzet naar 29 april 2015. Bij besluit van 21 april 2015 heeft het college aan appellante een voorschot van € 508,55 toegekend.

1.3.

Appellante is zonder bericht niet verschenen op de afspraak van 29 april 2015. Daarop heeft het college bij besluiten van 1 en 4 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2015 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante afgewezen en het verstrekte voorschot van haar teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, door niet op de afspraak van 29 april 2015 te verschijnen, de op haar rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 maart 2015 tot en met 1 mei 2015.

4.2.

Appellante voert allereerst aan dat zij de brief van 20 april 2015, waarbij zij werd uitgenodigd voor het gesprek op 29 april 2015, pas op 30 april 2015 heeft ontvangen. Van een schending van de medewerkingsverplichting is gelet daarop volgens appellante geen sprake.

4.2.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat het college de brief van 20 april 2015 diezelfde dag per gewone post aan het juiste adres heeft verzonden.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9980) rechtvaardigt de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. In dat geval ligt het op de weg van appellante dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat zij aannemelijk maakt dat het besluit niet op haar adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat appellante aanvoert, de (tijdige) ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt zij daarin, dan zal het college nader bewijs moeten leveren over de ontvangst van het besluit.

4.2.3.

Appellante is er niet in geslaagd het in 4.2.2 genoemde vermoeden te ontzenuwen. De enkele stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat een niet aangetekend verzonden brief niet in alle gevallen tijdig aankomt, is daartoe onvoldoende. Ook de stelling dat appellante al meermalen te kennen zou hebben gegeven dat er postproblemen bestaan op haar uitkeringsadres is daartoe onvoldoende. Appellante heeft niet met stukken onderbouwd dat zij deze problemen had en ook niet dat zij deze aan het college had gemeld. Appellante heeft geen concrete gegevens gesteld of overgelegd op grond waarvan de tijdige ontvangst van de brief van 20 april 2015 redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het college hoefde hiernaar, anders dan appellante betoogt, geen nader onderzoek te verrichten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.3.

Appellante voert voorts aan dat in het kader van de zorgvuldigheid en een evenredige belangenafweging, de aanvraag niet direct had mogen worden afgewezen. Het college had haar een rappelbrief met een nieuwe gespreksdatum moeten sturen. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit naar de mening van appellante onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.

4.3.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2350) ligt de bewijslast in dat geval bij de aanvrager. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om - eerst nadat de aanvrager de nodige inlichtingen heeft verschaft - in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3.2.

Appellante was, gelet op het onder 4.3.1 weergegeven kader, gehouden om volledige opening van zaken te geven over haar woonsituatie. Door niet op het gesprek van

29 april 2015 te verschijnen heeft zij hier niet aan voldaan. Appellante heeft niet gesteld dat de in de brief van 20 april 2015 gegeven termijn onredelijk kort was. Ook heeft zij geen bericht van verhindering verstuurd of om uitstel verzocht. Appellante wordt dan ook geacht in staat te zijn geweest aan het verzoek in de brief van 20 april 2015 te voldoen. Er bestaat voor het college geen geschreven of ongeschreven verplichting appellante een rappelbrief te sturen. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.

4.3.3.

Nu appellante niet aan het verzoek van 20 april 2015 heeft voldaan om op 29 april 2015 op gesprek te komen, heeft zij de medewerkingsverplichting van artikel 17, tweede lid, van de PW geschonden. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In dit geval kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, omdat appellante niet is verschenen op het gesprek van

29 april 2015. Hierdoor heeft het college geen duidelijkheid verkregen over haar woonsituatie. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.4.

Appellante voert verder aan dat het college de bewijslast ten onrechte bij haar heeft neergelegd, wat in strijd komt met een eerlijk proces als neergelegd in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.4.1.

Het college heeft zich, gezien het onder 4.3.1 weergegeven kader, terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert bij appellante rust. Het college heeft in dat kader appellante mogen oproepen voor een gesprek teneinde de woonsituatie te kunnen vaststellen. De beroepsgrond dat appellante in haar processuele belangen is geschaad, of dat genoemde bepalingen, ondanks het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting nopen tot bijstandsverlening, heeft zij niet nader onderbouwd, zodat het beroep op artikel 14 IVBPR en artikel 6 EVRM faalt.

4.5.

Het beroep van appellante op artikel 25 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) - het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is - faalt eveneens. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft de UVRM geen directe werking, zodat appellante zich daarop niet kan beroepen.

4.6.

Anders dan appellante aanvoert, is ook overigens niet gebleken van strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel.

4.7.

Tegen de terugvordering van het voorschot heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.M. Pasmans

HD