Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
13/4751 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het standpunt van het Uwv komt er in de kern op neer dat appellante wordt verweten dat zij op 3 januari 2006 de verzekeringsarts met haar houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen, dat geen betrouwbare weergave van haar situatie is gebleken. Volgens het Uwv is door de bevindingen van zijn verzekeringsartsen, ondersteund door het rapport van psychiater Van Laarhoven, afdoende komen vast te staan dat in appellantes situatie sprake is van simulatie en dat ten gevolge daarvan aan appellante ten onrechte een uitkering is verstrekt in verband met schending van de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenverplichting. De Raad acht dit standpunt onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4751 WAO, 14/3148 WAO

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

17 juli 2013, 12/1140 (aangevallen uitspraak 1) en 24 april 2014, 13/3360 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 1 juli 2015. Namens appellante is mr. Schyns verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.H.M. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als inpakster bij een groentenverpakkingsbedrijf. Op 28 februari 2000 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen met migraine en nekklachten met een psychische bovenbouw. Met ingang van 26 februari 2001 heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Bij heronderzoek in februari 2002 zag de verzekeringsarts een sombere, uitgebluste en voor haar leeftijd oud uitziende vrouw. Hij achtte een psychologische expertise aangewezen. Deze werd verricht door drs. M.P. Steger. Hij concludeerde tot een chronische pijnstoornis en een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, waarbij de klachten naar zijn mening in stand werden gehouden door een inadequate copingstijl en acceptatieproblemen ten aanzien van ongewenste kinderloosheid. Op basis van de expertise van Steger en eigen onderzoek stelde de verzekeringsarts een ruime hoeveelheid beperkingen in persoonlijk functioneren vast. De WAO-uitkering werd ongewijzigd voortgezet.

1.3.

Ook na een herbeoordeling in 2003, waarbij werd geconcludeerd dat het niet mogelijk was functies te duiden, werd de WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet.

1.4.

In 2006 vond opnieuw een herbeoordeling plaats. Op het spreekuur van 3 januari 2006, waar appellante verscheen begeleid door een nichtje, constateerde de verzekeringsarts een forse toename van de psychische klachten van appellante. Er was sprake van een psychiatrisch beeld ontstaan na de zelfmoord van een broer van appellante. Sindsdien sprak zij niet meer en at zij niet meer uit zichzelf. Zij werd door familieleden verzorgd en kwam alleen buiten in de tuin aan de arm van een familielid. Op het spreekuur reageerde appellante niet op vragen. Zij zat voor zich uit te staren en maakte kreunende geluiden. De verzekeringsarts stelde als diagnose schizofrenie, paranoïde vorm. “Om tot een sluitende GBM te komen” besloot de verzekeringsarts informatie op te vragen bij psychiater

S. Gülsaçan, bij wie appellante inmiddels onder behandeling was. In zijn brief van 28 februari 2006 beschreef Gülsaçan appellante als een patiënte die zelf niet in staat was een en ander adequaat te verwoorden en alles aan haar begeleider leek over te laten. Haar moeder was in 2002 overleden aan een geestesziekte en haar broer, die in Turkije was behandeld wegens paranoïde schizofrenie, had in 2004 zelfmoord gepleegd. Gülsaçan stelde als diagnose een schizoaffectieve stoornis, een psychotische stoornis NAO, een depressieve stoornis, recidiverend, ernstig met psychotische kenmerken en schizofrenie van het ongedifferentieerde type. De verzekeringsarts zag in de van Gülsaçan verkregen inlichtingen een bevestiging van zijn visie dat sprake was van een onvermogen op alle niveaus van persoonlijk en sociaal functioneren en concludeerde tot de afwezigheid van duurzaam benutbare mogelijkheden. De WAO-uitkering werd ook nu ongewijzigd voortgezet. Dit werd neergelegd in een besluit van 22 maart 2006.

1.5.

Op 2 mei 2011 reikte een inspecteur van de directie Handhaving-Uitvoering van het Uwv aan appellante een uitnodiging uit om op 10 mei 2011 te verschijnen bij een verzekeringsarts van het Uwv. Appellante werd op die datum onderzocht door een stafverzekeringsarts. Deze zag appellante samen met een vrouwelijke tolk. Volgens de stafverzekeringsarts sprak appellante nu nagenoeg normaal. Zij vertelde bij het onderzoek door de verzekeringsarts op

3 januari 2006 niet goed te hebben kunnen praten wegens de door haar gebruikte medicatie. Op de vraag hoe het kon dat zij nu, terwijl zij dezelfde medicatie gebuikte, wel kon praten kon zij geen antwoord geven. Volgens de stafverzekeringsarts was de stemming van appellante niet depressief, maar meer klagerig. Overleg met de huisarts van appellante leerde dat deze haar niet kende met een zeer ernstig psychotisch beeld. Hij was verrast door de hoeveelheid medicatie die hem werd verzocht voor te schrijven en had daar een slecht gevoel bij.

1.6.

Appellante werd op verzoek van de stafverzekeringsarts op 4 oktober 2011 onderzocht door psychiater P.J.H. Notten. Bij het onderzoek was een tolk aanwezig. Deze sprak echter alleen Turks, terwijl appellante Koerdische is en geen Turks spreekt. Het gesprek liep voor een deel via de echtgenoot van appellante. Het was Notten niet duidelijk of appellante het gesprek kon volgen. Notten rapporteerde dat hij appellante tijdens het psychiatrische onderzoek niet kon beoordelen. Zij reageerde niet op aanspreken en maakte geen contact. Ze keek alleen naar beneden en reageerde niet op vragen. Het was Notten niet duidelijk of dit gedrag veroorzaakt werd door een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld, of dat zij zich bewust zo gedroeg om niet onderzocht te kunnen worden. Het was door het gedrag van appellante niet mogelijk om haar psychiatrische toestand te beoordelen. Notten suggereerde een diagnostische opname, met staking van de gebruikte medicatie, om een beter oordeel te kunnen vormen over het psychische functioneren van appellante. Verder suggereerde hij een psychiatrisch onderzoek met een Koerdisch sprekende tolk.

1.7.

Het Uwv volgde de suggesties van Notten aanvankelijk niet op. In een rapport van

10 november 2011 adviseerde een andere verzekeringsarts dan de eerder bij appellante betrokken verzekeringsarts het Uwv te stellen dat appellante het door haar gedrag om haar moverende redenen niet mogelijk maakte tot een beoordeling te komen en daarom de

WAO-uitkering met terugwerkende kracht te herzien en de alsdan ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen. Hij adviseerde daarbij arbitrair de datum van het in 1.4 genoemde onderzoek, 3 januari 2006, als uitgangspunt te hanteren.

1.8.

Bij besluit van 18 november 2011 heeft het Uwv het in 1.4 genoemde besluit van

22 maart 2006 waarbij de uitkering ongewijzigd werd voortgezet ingetrokken en hiervoor in de plaats gesteld een beëindiging van de WAO-uitkering met ingang van 3 januari 2006 wegens onvoldoende medewerking aan het onderzoek door Notten, waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld.

1.9.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft het Uwv de over de periode van 3 januari 2006 tot en met 30 november 2011 betaalde WAO-uitkering ter hoogte van € 79.540,20 teruggevorderd.

1.10.

Bij besluit van 23 april 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij geen recht had op de in aanvulling op de WAO-uitkering in 2009, 2010 en 2011 betaalde tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) ter hoogte van € 1.036,- en deze tegemoetkoming teruggevorderd.

1.11.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.8 tot en met 1.10 genoemde besluiten. In bezwaar heeft appellante een brief overgelegd van psychiater S.W. Hofman van 29 februari 2012, waarin deze te kennen geeft appellante in december 2011 voor het eerst te hebben gezien en sindsdien weinig verbetering te hebben waargenomen. Als diagnose vermeldt hij een depressieve stoornis, eenmalige episode, ernstig met psychotische kenmerken en als differentiële diagnose schizofrenie van het ongedifferentieerde type.

1.12.

Op 5 maart 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was. Appelante heeft zich tijdens deze hoorzitting bereid verklaard mee te werken aan een diagnostische opname.

1.13.

Op verzoek van het Uwv is vervolgens een psychiatrisch onderzoek verricht door psychiater J.H.M. van Laarhoven. In het kader daarvan heeft een diagnostische opname plaatsgevonden van 23 tot en met 27 april 2012. Uit het op 12 mei 2012 door Van Laarhoven uitgebrachte rapport komt naar voren dat appellante tegen de bij het onderzoek betrokken

co-assistent niet of nauwelijks sprak. Van Laarhoven zelf, die appellante heeft gesproken met hulp van een vrouwelijke tolk Koerdisch, rapporteerde echter dat appellante vrij gemakkelijk praatte. Ze ging echter niet altijd adequaat in op zijn via de tolk gestelde vragen. Van Laarhoven stelde als diagnose een dysthyme stoornis met een laat begin. Een persoonlijkheidsdiagnose stelde hij uit. Als psychosociale stressfactoren noemde hij de ongewenste kinderloosheid en de zelfmoord van een broer in 2004. Van Laarhoven overwoog onder meer dat tijdens de opname duidelijk sprake was geweest van aggravatie, waardoor de evaluatie of wellicht toch sprake was van een onderliggend lijden, zij het lichter dan de gesuggereerde aandoening, was bemoeilijkt. Hij schatte in dat wel sprake was van een chronische depressieve aandoening, die het best kon worden geduid als een dysthyme stoornis. Dit als waarschijnlijkheidsdiagnose. Hij achtte zeker geen ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken, laat staan een schizo-affectieve stoornis, aanwezig. Hij achtte aannemelijk dat appellante matig Nederlands verstaat en weinig Nederlands spreekt, maar achtte het niet aannemelijk dat zij bij momenten in het geheel niet in staat was tot spreken/communiceren. Wanneer zij, zoals bij het onderzoek door Notten, niet sprak duidde dit volgens Van Laarhoven niet op ziekte, maar op een gebrek aan medewerking. Het gedrag en het niet spreken bij eerdere onderzoekssituaties waren in zijn visie niet toe te schrijven aan een psychiatrische aandoening. De uitval in 2000 kon definitief worden bekrachtigd met een malafide diagnose door de behandelaar en door toekenning van een uitkering op grond van deze diagnose. Van Laarhoven achtte re-integratie in loonvormende arbeid niet onmogelijk. Wel was het zo dat het moest gaan om werk met weinig administratieve eisen. Verder mochten er niet te veel prikkels zijn, bijvoorbeeld in de vorm van lawaai, moesten taken gestructureerd en overzichtelijk zijn, mocht de tempodruk niet te hoog zijn en was er een beperking ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen, met name op het punt van conflicthantering.

1.14.

In een rapport van 30 mei 2012 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de voorhanden gegevens en met name het rapport van Van Laarhoven tot de conclusie gekomen dat het niet spreken van appellante bij eerdere onderzoeken niet als gevolg van onderliggende ziekte beschouwd kan worden. Zij heeft door haar gedrag, in combinatie met de nu onwaarschijnlijke diagnosestelling door haar behandelaar een verkeerd beeld van haar situatie aan het Uwv gegeven. Op grond hiervan is destijds in 2006 haar belastbaarheid onjuist ingeschat. Aannemelijk is dat wel sprake was van beperkingen in het functioneren, maar niet in de mate waarin appellante dit deed voorkomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante in enige mate psychisch verminderd belastbaar geacht. Zij heeft appellante beperkt geacht in persoonlijk en sociaal functioneren en deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2012, geldig vanaf 3 januari 2006.

1.15.

Uitgaande van de in de FML van 5 juni 2012 neergelegde beperkingen heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellante geschikt geachte functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 januari 2006 gesteld op nihil.

1.16.

Na een nieuwe hoorzitting op 18 juni 2012, waarop door de echtgenoot van appellante en mr. Schyns kanttekeningen zijn geplaatst bij het rapport van Van Laarhoven, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 juni 2012 aanvullend gerapporteerd. Zij heeft in wat op de hoorzitting is aangevoerd geen valide argumenten gezien om de conclusies van Van Laarhoven niet te volgen.

1.17.

Bij besluit van 27 juni 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het besluit van

18 november 2011 gehandhaafd in die zin dat besloten is het in 1.4 genoemde besluit van

22 maart 2006 in te trekken en in plaats daarvan te besluiten dat appellante met ingang van

3 januari 2006 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft het mogelijk geacht de uitkering met terugwerkende kracht in te trekken, primair op de grond dat door toedoen van appellante ten onrechte een uitkering is verstrekt en subsidiair op de grond dat zij redelijkerwijs had kunnen weten dat zij ernstig rekening diende te houden met een intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht. Het Uwv heeft daartoe in het besluit overwogen dat appellante ten tijde van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek van 3 januari 2006 en met de ingevulde vragenlijst van 3 januari 2006 de verzekeringsarts door haar handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar medische situatie. Het door haar opgeroepen beeld is bevestigd door de informatie van Gülsaçan, welke informatie niet kan worden gezien als een betrouwbare weergave van de medische situatie. Dit beeld (ondersteund door de medische informatie) heeft tot gevolg gehad dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 januari 2006 ten onrechte is vastgesteld op 80 tot 100% en dat ten onrechte is aangenomen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 29 november 2011 en 23 april 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 18 februari 2013 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt aan appellante een boete op te leggen tot het (maximale) bedrag van € 2.269,-. Bij besluit van

2 juli 2013 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. In verband met de financiële omstandigheden van appellante heeft het Uwv daarbij het bedrag van de boete gematigd tot € 26,-. Bij besluit van 27 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

17 juni 2013 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

4.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige advisering in overeenstemming is geweest met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overige daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Er heeft spreekuuronderzoek plaatsgevonden, de huisarts is geraadpleegd en er is uitgebreid psychiatrisch onderzoek bij appellante verricht. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) in twijfel te trekken. Appellante heeft zich tijdens een aantal onderzoeken niet aanspreekbaar getoond, terwijl niet is gebleken dat voor dat gedrag een medische oorzaak valt aan te wijzen. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar het rapport van Van Laarhoven uit 2012, dat is gestoeld op bevindingen tijdens een vijfdaagse opname. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in haar rapport van 20 juni 2012 genoegzaam ingegaan op de door appellante gemaakte kanttekeningen bij dit rapport. Dat appellante vanaf 2001 wegens psychische klachten 80 tot 100% arbeidsongeschikt is bevonden en dat zij in 2006 opnieuw 80 tot 100% is geacht wegens een ernstige psychische stoornis heeft de rechtbank niet maatgevend geacht, nu dit het resultaat is geweest van een achteraf bezien onjuiste diagnose. De rechtbank heeft de keuze voor 3 januari 2006 voldoende gemotiveerd geacht, nu appellante zich op die datum aanwijsbaar onjuist heeft gepresenteerd. Niet gebleken is dat de beperkingen van appellante op 3 januari 2006 niet correct zijn vastgelegd in de FML van 5 juni 2012. Uitgaande van de juistheid van de FML kunnen de aan appellante voorgehouden functies in medisch opzicht als passend worden aangemerkt. Appellante heeft niet gemotiveerd waarom deze functies niet passend zouden zijn. Het verlies aan verdienvermogen is terecht gesteld op nihil. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in 2006 de belastbaarheid van appellante verkeerd is ingeschat doordat appellante destijds haar gezondheidstoestand onjuist of onvolledig heeft weergegeven. Appellante heeft met die onjuiste weergave haar inlichtingenverplichting zoals neergelegd in artikel 80, eerste lid, van de WAO geschonden. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellante vanaf

2 januari 2006 minder dan 15% arbeidsongeschikt was, zodat zij vanaf die datum geen recht had op een WAO-uitkering. Dit betekent dat appellante ten onrechte vanaf 3 januari 2006 een WAO-uitkering is toegekend. Nu dit het gevolg was van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting was het Uwv op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO gehouden het besluit van 22 maart 2006 in te trekken. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO was het Uwv voorts verplicht de ten onrechte betaalde WAO-uitkering terug te vorderen. De rechtbank heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond gezien om te oordelen dat het Uwv van intrekking of terugvordering had moeten afzien wegens dringende redenen. Nu appellante geen recht had op een WAO-uitkering voldeed zij niet aan de in artikel 10 van de Wtcg vermelde voorwaarden voor een tegemoetkoming. Het Uwv heeft de aan appellante betaalde tegemoetkomingen dan ook terecht teruggevorderd op de grond dat die tegemoetkomingen onverschuldigd aan haar zijn betaald.

4.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Zij heeft het Uwv onjuist en onvolledig geïnformeerd over haar gezondheidstoestand waardoor het recht op uitkering niet juist is vastgesteld. Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de WAO was het Uwv gehouden een boete op te leggen. Wat appellante heeft aangevoerd, levert geen grond op om aan te nemen dat de schending van de inlichtingenverplichting haar objectief en subjectief niet te verwijten was. Ook heeft de rechtbank geen dringende reden gezien als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de WAO. In artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd wanneer de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt. De overtreding heeft voortgeduurd tot 2011. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete was, gelet daarop, niet vervallen ten tijde van het opleggen daarvan. Door de boete te stellen op € 26,- is appellante zeker niet tekort gedaan.

5.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, in welk kader zij met name kritiek heeft geuit op (de totstandkoming van) het rapport en de daarin opgenomen conclusies van psychiater Van Laarhoven. Onder meer onder verwijzing naar informatie van psychiater Gülsaçan van 28 februari 2006 en psychiater Hofman van 29 februari 2012 heeft appellante gesteld dat het Uwv haar beperkingen per 3 januari 2006 ernstig heeft onderschat. Meer in het bijzonder ten aanzien van de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht heeft appellante ontkend dat zij de verzekeringsarts door haar handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd. In het kader van de opgelegde boete heeft appellante betoogd dat zij geen onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, omdat zij volledig arbeidsongeschikt was, ook op en na

3 januari 2006, op grond van de klachten die zij ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts heeft aangegeven. Het Uwv was dan ook volgens appellante niet bevoegd een boete op te leggen.

5.2.

Het Uwv heeft in zijn verweerschriften bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

5.3.

Ter zitting heeft het Uwv de Raad subsidiair verzocht indien en voor zover hij tot het oordeel zou komen dat een herziening van de WAO-uitkering vanaf 3 januari 2006 de in deze aan te leggen toets niet zou kunnen doorstaan een oordeel te geven over het recht op een WAO-uitkering vanaf 28 augustus 2012, zijnde de datum gelegen twee maanden en een dag na bestreden besluit 1. Het Uwv heeft daartoe betoogd dat indien niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor een herziening met terugwerkende kracht de aan bestreden besluit 1 ten grondslag liggende medische en arbeidskundige beoordeling in ieder geval voldoende grondslag zou kunnen bieden voor een intrekking met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden.

5.4.

Appellante heeft zich ook tegen het ter zitting door het Uwv naar voren gebrachte subsidiaire standpunt gekeerd.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader

6.1.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO moet een verzekerde, die een aanspraak maakt op of in het genot is van een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

6.1.2.

In artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt (onder meer) indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de verplichting op grond van artikel 80 het recht op een uitkering ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.

6.1.3.

Op grond van artikel 36a, tweede lid, van de WAO kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.1.4.

Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de WAO, zoals dat gold tot 1 januari 2013, legt het Uwv een boete op van ten hoogste € 2.269,- wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel 80. Volgens het tweede lid wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging de belanghebbende kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in ieder geval afgezien wanneer elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Volgens het vierde lid kan van een boete worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.1.5.

Op grond van artikel 10 van de Wtcg heeft degene die van rechtswege verzekerd is ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en recht heeft op een uitkering in verband met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer recht op een tegemoetkoming.

6.2.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

6.2.2.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

6.2.3.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in het geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295). Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat het behoort tot de professie van een verzekeringsarts om de door een verzekerde geclaimde klachten op realiteitswaarde te toetsen. Op grond van zijn kennis en kunde wordt een verzekeringsarts in staat geacht om de bij de anamnese beschreven klachten en het gedrag van een verzekerde tijdens het onderzoek te benoemen als een gevolg van ziekte of gebrek dan wel aan te merken als gesimuleerde of geaggraveerde klachten of gedragingen. Hij wordt mede in staat geacht om informatie die hij, al dan niet op zijn verzoek, verkrijgt van behandelaars van een verzekerde te beoordelen op consistentie en aannemelijkheid. Waar een verzekeringsarts zowel een lichamelijk als een psychisch onderzoek verricht, geldt dit laatste ook als informatie wordt verkregen van psychiaters die een verzekerde behandelen of behandeld hebben of op verzoek van een verzekerde een expertise hebben verricht (zie ook de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, Stb. 307 en ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

6.2.4.

Bij een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als uitgangspunt dat op het Uwv de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenverplichting is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. overweging 4.8.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2511). Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780).

Wat is in dit geval gesteld?

6.3.

In dit geval komt het standpunt van het Uwv er in de kern op neer dat appellante wordt verweten dat zij op 3 januari 2006 de verzekeringsarts met haar houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen, dat geen betrouwbare weergave van haar situatie is gebleken. Volgens het Uwv is door de bevindingen van zijn verzekeringsartsen, ondersteund door het rapport van psychiater Van Laarhoven, afdoende komen vast te staan dat in appellantes situatie sprake is van simulatie en dat ten gevolge daarvan aan appellante ten onrechte een uitkering is verstrekt in verband met schending van de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenverplichting.

Ten onrechte uitkering verstrekt?

6.4.

Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

6.4.1.

Blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 mei 2012 en haar nadere rapport, opgesteld na de tweede hoorzitting in bezwaar, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van het rapport van Van Laarhoven aangenomen dat bij appellante sprake was van een dysthyme stoornis in combinatie met cluster C persoonlijkheidstrekken en haar op grond daarvan, in combinatie met een matige intelligentie, beperkte copingsstrategieën en een slechte beheersing van de Nederlandse taal beperkt belastbaar geacht in arbeid. Zij heeft het, eveneens op basis van de bevindingen van Van Laarhoven, aannemelijk geacht dat op de datum in geding wel sprake was van beperkingen in het functioneren, maar niet in die mate waarin appellante dit deed voorkomen. Zij heeft de in haar visie voor appellante geldende beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en beperkingen ten aanzien van aanpassing aan fysieke omgevingseisen en werktijden vastgelegd in een per 3 januari 2006 geldende FML.

6.4.2.

Het rapport van Van Laarhoven kan niet gelden als afdoende onderbouwing van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgenomen uitgangspunten en getrokken conclusies. Daarvoor roept het rapport teveel vragen op.

Allereerst wordt in het rapport alleen waar het gaat om het gesprek van Van Laarhoven zelf met appellante vermeld dat dit heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk. Een dergelijke vermelding ontbreekt in verslagen van andere onderzoeken naar de medische situatie van appellante. Gelet op de hierin steeds terugkerende opmerkingen van deze professionals over de gebrekkige beheersing van het Nederlands door appellante roept dit de vraag op in hoeverre zij in staat zijn geweest op adequate wijze met appellante te communiceren en haar situatie op de juiste wijze in te schatten. Dit geldt het sterkst voor het onderzoek door de psychologen, maar in mindere mate ook voor de observaties van therapeuten en verpleging.

Voorts valt op dat appellante tijdens haar opname behalve met Van Laarhoven zelf niet of nauwelijks heeft gesproken en in feite eenzelfde beeld heeft vertoond als bij eerdere onderzoeken door (verzekerings)artsen. Voor zover de oorzaak hiervan niet gelegen was in de beperkte beheersing van de Nederlandse taal door appellante en de afwezigheid van een tolk roept dit de vraag op waarom zij met Van Laarhoven wel heeft gesproken en zelfs, zoals door hem gesteld, vrij gemakkelijk. Van Laarhoven heeft hier echter geen aandacht aan besteed. Ook blijkt uit het rapport niet dat hij appellante op enigerlei wijze heeft geconfronteerd met zijn ideeën over haar gedrag en haar om een reactie daarop heeft gevraagd. Het wekt bevreemding dat Van Laarhoven dit voor deze zaak zo wezenlijke onderwerp op het moment waarop appellante zich aanspreekbaar toonde geheel onbesproken heeft gelaten. Hierdoor is een kans blijven liggen om op dit essentiële punt inzicht te krijgen in de beweegredenen van appellante. Dit klemt temeer nu uit het rapport blijkt dat het niet spreken van appellante andere bij de opname van appellante betrokkenen professionals voor problemen heeft gesteld. Zo heeft de co-assistent door het niet spreken van appellante geen uitspraken kunnen doen over concentratie, aandacht, geheugen en oordeelsvorming van appellante en hebben de psychologen het niet goed mogelijk geacht een conclusie te geven. Van de zijde van de verpleging kwamen wisselende signalen in die zin dat enerzijds werd gerapporteerd dat men het gevoel had dat appellante wel Nederlands begreep, maar niet de moeite nam om het te spreken – overigens zonder dit gevoel te onderbouwen – terwijl anderzijds werd gerapporteerd dat appellante meerdere malen probeerde contact te maken, maar dat dit niet lukte wegens taalproblemen. Al met al is, hoewel bij de opname sprake is geweest van een multidisciplinaire setting, de inbreng van anderen dan Van Laarhoven door communicatieproblemen beperkt gebleven. Dit maakt dat het niet goed mogelijk is de conclusies van Van Laarhove te toetsen aan de bevindingen van de andere betrokken professionals.

6.4.3.

Bij het voorgaande wordt aangetekend dat de verzekeringsarts die betrokken was bij de herbeoordeling in 2006 reeds met appellante bekend was sinds de beoordeling bij einde wachttijd voor de WAO en ook betrokken was geweest bij eerdere herbeoordelingen. De verzekeringsarts had appellante in de loop der jaren regelmatig op het spreekuur gezien en had voor 2006 al op 28 december 2000, 27 februari 2001, 1 mei 2001, 13 februari 2002 en

8 mei 2002 over haar gerapporteerd. Bovendien had de verzekeringsarts de beschikking over het in 1.2 genoemde expertiserapport van Steger. Zoals in 1.4 beschreven heeft de verzekeringsarts appellante gezien op zijn spreekuur van 3 januari 2006 en, na onderzoek, als diagnose gesteld schizofrenie, paranoïde vorm. Hij heeft, onder verwijzing naar zijn bevindingen en de voorgeschiedenis van appellante, afdoende gemotiveerd geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) te zien. De informatie die de verzekeringsarts heeft ontvangen van Gülsaçan was in lijn met zijn eigen bevindingen. Het besluit van 22 maart 2006, waarbij is vastgesteld dat er geen redenen waren om de WAO-uitkering te wijzigen was dus gedegen onderbouwd. Dit maakt het des te belangrijker een daarvan afwijkend standpunt inzichtelijk en concludent te onderbouwen.

6.4.4.

Wat in 6.4.1 tot en met 6.4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde onderzoeken, gelet op de in 6.2.1 tot en met 6.2.3 weergegeven vereisten, onvoldoende onderbouwing bieden voor de in dat besluit getrokken conclusie dat ten onrechte een uitkering is verstrekt door toedoen van appellante.

6.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven. Zowel aangevallen uitspraak 1 als bestreden besluit 1 zal worden vernietigd. Gelet op het aantal en de omvang van de uitgevoerde onderzoeken en het tijdsverloop wordt het Uwv niet in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. De besluiten van 18 november 2011 waarbij de WAO-uitkering met ingang van 3 januari 2006 is beëindigd, van 29 november 2011 waarbij de over de periode van 2 januari 2006 tot en met

30 november 2011 betaalde WAO-uitkering is teruggevorderd en 23 april 2012 waarbij de in aanvulling op de WAO-uitkering in 2009, 2010 en 2011 betaalde tegemoetkoming ingevolge de Wtcg is teruggevorderd, zullen worden herroepen.

6.6.

Aan het ter zitting gedane (subsidiaire) verzoek van het Uwv een oordeel te geven over het recht op een WAO-uitkering vanaf 28 augustus 2012, zijnde de datum gelegen twee maanden en een dag na bestreden besluit 1, kan niet worden voldaan. De ter beoordeling voorliggende besluiten bevatten hiervoor geen aanknopingspunten aangezien daarin geen standpunt is ingenomen ten aanzien van het recht op uitkering met ingang van die datum.

Boete

6.7.

Gelet op het in 6.6 gegeven oordeel komt de grondslag te ontvallen aan de in bestreden besluit 2 gehandhaafde boete. Aangevallen uitspraak 2 en bestreden besluit 2 zullen worden vernietigd. Het boetebesluit van 2 juli 2013 zal worden herroepen.

Wettelijke rente

7. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente zal worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Vergoeding immateriële schade in verband met overschrijding redelijke termijn

8.1.

In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders, omdat de Raad het onderzoek op 1 juli 2015 heeft gesloten. Er was op 1 juli 2015 nog geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor appellante ook geen reden was daarover te klagen. Daarom beoordeelt de Raad wegens de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve of de redelijke termijn is overschreden en beoordeelt hij ambtshalve of een vergoeding van immateriële schade moeten worden toegekend. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354, de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 15 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:211 en de uitspraak van de Raad van 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:104.

8.2.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

8.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

8.4.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 25 november 2011 van het tegen het besluit van 18 november 2011 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak, 8 februari 2017, vijf jaar en bijna 3 maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim een jaar (15 maanden) overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. Dat leidt tot een schadevergoeding € 1.500,- ten laste van de Staat der Nederlanden.

Kosten

9. Er is aanleiding het Uwv te veroordeling in de kosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 2.722,50 in bezwaar, op € 1.980,- in beroep en op

€ 1.485,- in hoger beroep, in totaal € 6.187,50. De reiskosten van appellante in beroep worden begroot op € 10,34. In totaal bedragen de te vergoeden kosten dus € 6.197,84.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 27 juni 2012 en

27 september 2013;

- herroept de besluiten van 18 november 2011, 29 november 2011, 23 april 2012 en

2 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als onder 7 van deze uitspraak

is vermeld;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.197,84;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 326,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en C.C.W. Lange en

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) A.I. van der Kris

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

NK