Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
14/5333 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:73a, 8:75a en 8:108 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 december 2017

14/5333 WIA, 14/7205 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:73a, 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 augustus 2014, 13/575 en 21 november 2014, 13/1616 (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft op 26 september 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 25 oktober 2017 heeft mr. M.J. Aanen, opvolgend gemachtigde, namens appellante de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkeringen en tot vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb.2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Ingevolge artikel 8:73a (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die verzoeker lijdt.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellante zijn de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 september 2017 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Zaak 14/5333 WIA

Aangezien het Uwv reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase en de rechtbank al een veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg heeft uitgesproken, staan voor de Raad nog slechts ter beoordeling de in hoger beroep gemaakte kosten.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad komen tot een bedrag van € 22,41 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift tegen het besluit van 8 augustus 2012 op 16 augustus 2012 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond vijf jaar en vier maanden geduurd en daarmee is de redelijke termijn met één jaar en vier maanden overschreden. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv afgerond zes maanden geduurd. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 12 maart 2013 heeft de behandeling van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 31 januari 2013 tot de uitspraak op 12 augustus 2014 afgerond één jaar en vijf maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellante op 24 september 2014 tot de datum van deze uitspraak afgerond drie jaar en drie maanden geduurd. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden en voor rekening van de Staat komt. Zoals in meergenoemde uitspraak van

26 januari 2009 is overwogen, is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de overschrijding van één jaar en vier maanden ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.

Zaak 14/7205 WIA

Aangezien het Uwv reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 495,- in beroep en € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Zaken 14/5333 WIA en 14/7205 WIA

Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beide zaken kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot een betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.002,41.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N.L. Kuipers

UM