Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
16/2567 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Refertejaar. Juiste toepassing door Uwv gegeven aan artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 door geen rekening te houden met de na het refertejaar betaalde en genoten bonus. Beroep op artikel 4, tweede lid, van Dagloonbesluit 2013, slaagt niet. Geen sprake van discriminatie, geen gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2567 ZW

Datum uitspraak: 20 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van rechtbank Limburg van 25 maart 2016, 15/2226 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voncken-Crijns en haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 februari 2009 op grond van een arbeidsovereenkomst met

[naam bedrijf] werkzaam als shopmanager bij [naam bedrijf] . Zij is op

17 februari 2014 door ziekte uitgevallen voor haar werk. De arbeidsovereenkomst tussen appellante en [naam bedrijf] is op 26 april 2014 met wederzijds goedvinden met ingang van

1 oktober 2014 beëindigd wegens bedrijfseconomische redenen.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2014 heeft het Uwv geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2014 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Na een uitspraak van de rechtbank van 1 mei 2015 (zaaknummers 15/253 en 15/564) heeft het Uwv bij nieuwe beslissing op bezwaar van 2 juni 2015 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2014 alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellante met ingang van 1 oktober 2014 in aanmerking gebracht voor een

ZW-uitkering, berekend naar een dagloon van € 164,83. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat het dagloon volgens haar onjuist is berekend nu een na afloop van het refertejaar uitbetaalde bonus niet is meegenomen in het dagloon.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In overeenstemming met artikel 4, tweede lid, van Dagloonbesluit werknemers verzekeringen 2013 (Dagloonbesluit 2013) heeft het Uwv zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er met de later uitbetaalde bonus geen sprake is van in het refertejaar vorderbaar maar tevens niet inbaar loon.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en aangevoerd dat de afrekening van de bonus van € 8.185,27 door de werkgever weliswaar is betaald na het einde van het refertejaar, maar betrekking heeft op de werkzaamheden tijdens dat jaar. De omzettabel laat volgens appellante zien dat op 31 december 2013 van de target € 760.000,- al een bedrag van € 722.872,- was gerealiseerd en op 17 februari 2014 € 899.036,-. Daaruit blijkt volgens haar dat het eind 2013, tijdens het refertejaar, duidelijk was dat de target zou worden gehaald en dat er recht op de aanvullende bonus bestond. Als de werkgever de periode waarover de bonus werd opgebouwd niet zou hebben gewijzigd, dan zou appellant in november 2013, tijdens het refertejaar, de afrekening van de bonus al hebben ontvangen. Als zij niet ziek zou zijn geworden, dan zou zij evenals haar ex-collega’s een ander refertejaar hebben gehad waarin de bonus wel was meegenomen bij de dagloonberekening. Door de wijziging van de bonusregeling en door haar ziekte wordt appellante dubbel benadeeld. Appellante heeft verwezen naar uitspraken van de Raad van 19 juli 2017 (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2017:2406) waarin de Raad heeft geoordeeld dat ziekte niet mag leiden tot een lager dagloon. Er is daarnaast volgens appellante ook sprake van discriminatie ten opzichte van werknemers die niet ziek zijn geworden. Door haar ziekte heeft zij een lager dagloon.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De dagloonregels zijn juist toegepast. De uitbetaling van de bonus vond plaats na afloop van het refertejaar en is om die reden niet meegenomen in het dagloon. Van een situatie van vorderbaar en niet tevens inbaar loon is volgens het Uwv geen sprake. Het Uwv heeft verwezen naar de uitspraken van de Raad van 15 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1645) en van 28 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU2163). Het Uwv kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de keuze van de werkgever om de opbouwperiode van de bonus te wijzigen. Van verboden discriminatie is volgens het Uwv geen sprake. Het verzekerde risico is bij appellante ingegaan op het moment dat zij ziek werd op 17 februari 2014. Als zij op dat moment werkloos zou zijn geworden was haar refertejaar hetzelfde geweest. Van haar ex-collega’s is het verzekerde risico ingegaan op 1 oktober 2014 bij het intreden van hun werkloosheid na de beëindiging van het bedrijf van [naam bedrijf] . Er is dan ook sprake van een vergelijking van ongelijke gevallen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Relevante wet- en regelgeving zoals deze luidde met ingang van 1 juni 2013 (tot 1 juli 2015).

4.1.1.

Artikel 15, van de ZW:

1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, (…).

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

4.1.2.

Artikel 2, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013:

Refertejaar voor ZW en WW

1. Onder refertejaar wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het arbeidsurenverlies is ingetreden.

4.1.3.

Artikel 3, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013:

Loonbegrip voor ZW en WW

1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden met dien verstande dat niet onder loon worden begrepen: (….)

4.1.4.

Artikel 4, eerste en tweede lid, van Dagloonbesluit 2013:

Algemene bepalingen over het loon voor ZW en WW

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

2. Onder loon als bedoeld in artikel 3 wordt mede begrepen loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden en uit de daaraan voorafgaande dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in het refertejaar een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in het refertejaar opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.

4.2.

Niet in geschil is dat het refertejaar voor de dagloonberekening loopt van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. In geschil is de vraag of het Uwv op goede gronden heeft geweigerd om de na het einde van het refertejaar in mei 2014 door de werkgever (na)betaalde bonus van € 8.185,27 bruto, die is opgebouwd over de periode van mei 2013 tot en met

april 2014, bij de dagloonberekening te betrekken.

4.3.

Het Uwv heeft een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van

Dagloonbesluit 2013 door geen rekening te houden met de volgens de loonstrook en de polisadministratie (Suwinet) in mei 2014, na het refertejaar, betaalde en genoten bonus. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. Uit de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 (Stb. 2013, 185, blz. 26) volgt dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken gelegen in het refertejaar en dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 23 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1017) en van

1 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3908).

4.4.

De uitspraak van de Raad van 19 juli 2017, waar appellante naar heeft verwezen, kan niet tot een ander oordeel leiden, alleen al niet omdat zij tijdens het refertejaar niet ziek was en er geen sprake was van de situatie dat zij door ziekte tijdens het refertejaar niet het volledige loon doorbetaald heeft gekregen.

4.5.

Met de omstandigheid dat de werkgever de periode van opbouw van de bonus in 2013 heeft gewijzigd, waardoor appellante tijdens het refertejaar een bonus van € 296,79

– opgebouwd tot mei 2013 – heeft genoten en na het einde van het refertejaar in mei 2014 een bonus van € 8.185,27 heeft genoten, die zag op de periode vanaf mei 2013, wordt bij de berekening van het dagloon op grond van artikel 15 van de ZW en Dagloonbesluit 2013 geen rekening gehouden.

4.6.

Ook het beroep op artikel 4, tweede lid, van Dagloonbesluit 2013, kan niet slagen. Er is geen sprake van loon dat in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar was. De arbeidsovereenkomst van appellante voorzag niet in een tussentijdse uitbetaling van de in geding zijnde bonus gedurende de periode waarin de bonus nog werd opgebouwd. Gelet hierop was de bonus niet vorderbaar tijdens het refertejaar.

4.7.

Ook de door appellante aangevoerde grond dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van werknemers (zoals haar ex-collega’s) die niet ziek zijn geworden en voor wie op grond van artikel 2, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 een ander refertejaar geldt – waardoor de in

mei 2014 genoten bonus wel wordt meegenomen bij de dagloonberekening –, slaagt niet. Appellante is op 17 februari 2014 ziek geworden en op dat moment is haar verzekerde risico voor de ZW ingetreden. Voor haar ex-collega’s is het verzekerde risico ingetreden met ingang van 1 oktober 2017, het moment dat zij werkloos raakten op grond van de Werkloosheidswet. Er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen.

5. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt is vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente niet aan de orde, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en A.I. van der Kris en E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. Trox

OS