Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
14/4843 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende rekening gehouden met de bij appellante vastgestelde TTP. Oordeel deskundige volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4843 WIA

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

17 juli 2014, 13/6820 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade.

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E. van Nisselrooij, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Appellante, haar gemachtigde en haar echtgenoot [echtgenoot] zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

Het onderzoek is heropend na de zitting, waarna de Raad verzekeringsarts

L. Greveling-Fockens als deskundige heeft benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 23 augustus 2016 een rapport uitgebracht. Partijen hebben op het rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 28 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Nisselrooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk gewerkt als kassière in een supermarkt voor 18,21 uur per week. Zij is op 19 augustus 2011 voor dat werk uitgevallen wegens vermoeidheids- en pijnklachten. Haar dienstverband is per 1 maart 2012 geëindigd.

1.2.

Op 16 mei 2013 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 16 augustus 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat zij met de voor haar geselecteerde functies in staat is meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv heeft het bezwaarschrift van appellante tegen dat besluit bij besluit van 24 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze is verricht en dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante de door het Uwv geselecteerde functies kan uitoefenen en dat daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid beneden 35% blijft.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Bij haar is in 2007 de zeldzame bloedziekte trombotische trombocytopenische purpura (TTP) vastgesteld. Zij is daarvan niet volledig genezen en kampt met restklachten. Het Uwv heeft ten onrechte geen informatie ingewonnen bij haar specialist, dr. R. Fijnheer. Zij is meer beperkt dan door het Uwv is vastgesteld en is ongeschikt voor de geselecteerde functies.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 september 2014, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante met haar beperkingen de geselecteerde functies met ingang van 16 augustus 2013 kan uitoefenen. Daarbij is met name geschil of met de (gevolgen van de) bij appellante vastgestelde TTP afdoende rekening is gehouden bij het vaststellen van de arbeidsbeperkingen.

4.2.

De Raad heeft aanleiding gevonden een deskundige te benoemen ter beoordeling van de gezondheidstoestand van appellante op de datum 16 augustus 2013 en ter beantwoording van de vraag of er voor appellante op die datum meer beperkingen gelden dan weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2013 en of zij met die beperkingen in staat was 8 uur per dag te werken. In haar rapport van 23 augustus 2016 heeft de deskundige zich, behoudens een aspect over het werken boven schouderhoogte, met de FML van 3 juli 2013 verenigd. Uitgaande van arbeid die met de vastgestelde beperkingen rekening houdt, is er geen reden voor een urenbeperking.

4.3.

Appellante heeft in haar reactie op het rapport van de deskundige haar opvatting gehandhaafd dat zij zwaarder beperkt is, dat haar klachten zijn ontstaan nadat zij TTP kreeg en die klachten daarvan en van de daaropvolgende behandeling een gevolg zijn.

4.4.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv rapporten ingezonden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts heeft de FML aangepast overeenkomstig de opvatting van de deskundige en de arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat met de aangevulde beperking alleen een reservefunctie van de geselecteerde functies niet langer passend is. Het Uwv heeft daarom geen aanleiding gezien het standpunt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering te wijzigen.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft appellante onderzocht, heeft kennis genomen van alle medische gegevens in het dossier en heeft ook nadere informatie verkregen van de behandelend internist-hematoloog en orthopedisch chirurg. Zij is tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van de diagnoses TTP, fibromyalgie, en discopathie lumbaal, op grond waarvan zij appellante beperkt acht voor fysiek zware arbeid. Daarbij heeft de deskundige vermeld dat de internist-hematoloog zich er in zijn informatie aan de deskundige niet over uitspreekt in hoeverre hij de klachten van appellante gerelateerd acht aan de doorgemaakte TTP. Dat appellante haar klachten en beperkingen rechtstreeks relateert aan de gevolgen van haar aandoening TTP doet er niet aan af dat de deskundige, gelet op alle gegevens, niet tot verdergaande beperkingen of tot een urenbeperking heeft geconcludeerd.

4.6.

De conclusie van het Uwv dat appellante, uitgaande van de door de deskundige aanvullend gestelde beperkingen, geschikt is voor de geselecteerde functies, is inzichtelijk en afdoende gemotiveerd. De ter zitting door appellante geuite kritiek op de geschiktheid van de functies omdat de belastende aspecten de belastbaarheid van appellante te boven gaan, miskent dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 september 2016 nog een nadere toetsing van de functies op het aspect werken boven schouderhoogte heeft gedaan, op grond waarvan deze arbeidsdeskundige terecht heeft geconcludeerd dat vier van de vijf geselecteerde functies geschikt zijn gebleven en er geen sprake is van gevolgen voor de resterende verdiencapaciteit van appellante.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat appellante per 16 augustus 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA en dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij dit oordeel moet het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst af het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.J. van Gendt

JvC