Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
15-8488 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gezamenlijke huishouding gevoerd. Alle nachten doorbrengen in woning vriendin is onvoldoende voor gezamenlijk hoofdverblijf. Zwaartepunt persoonlijk leven in eigen woning. Geen bijstand met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8488 WWB, 15/8490 WWB, 15/8485 PW, 17/5710 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2015, 15/1918 en 15/1811 (aangevallen uitspraak 1) en 15/2621 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (college)

Partijen in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2:

[Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (college)

Datum uitspraak: 19 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. Thiescheffer hoger beroep ingesteld tegen aangevallen

uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend en ter uitvoering van de aangevallen

uitspraak 1 een nieuwe beslissing op bezwaar van 13 januari 2016 (nader besluit) overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Roolvink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 juni 1994 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant staat vanaf 29 oktober 1985 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante staat vanaf 20 februari 1997 ingeschreven op het adres [adres van appellante] te [woonplaats] (adres van appellante). Zij heeft van 1 januari 2007 tot

1 augustus 2015 aan de [adres] café [naam cafe] ([cafe]) geëxploiteerd.

1.3.

Omdat uit vooronderzoek, verricht naar aanleiding van een anonieme melding, het vermoeden was ontstaan dat appellant samenwoonde met appellante en werkzaamheden verrichtte, heeft de Sociale Recherche Fryslân (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres en op het adres van appellante opgevraagd, in de periode van 6 december 2013 tot en met 9 december 2013 cameraobservaties verricht bij [cafe], in de periode van

26 mei 2014 tot en met 23 juni 2014 waarnemingen verricht bij de woning van appellante en bij [cafe] en verder in de periode van 17 juni 2014 tot 21 juni 2014 cameraobservaties bij [cafe]. Ook hebben twee sociaal rechercheurs appellanten en getuigen verhoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 8 augustus 2014.

1.4.

Bij besluit van 11 september 2014 heeft het college de bijstand van appellant per

1 augustus 2014 opgeschort.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 september 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant vanaf 1 januari 2007 in te trekken op de grond dat hij inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad en dat hij een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd. Deze werkzaamheden en gezamenlijke huishouding heeft hij, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, niet aan het college gemeld. Het college heeft daarbij de te veel verstrekte bijstand over de periode van

1 januari 2007 tot 1 augustus 2014 tot een bedrag van € 112.292,74 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 30 september 2014 (besluit 2) heeft het college de over deze periode aan appellant ten onrechte verleende bijstand mede van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij afzonderlijke besluiten van 22 april 2015 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het college de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Het college heeft aan deze bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat op grond van de verklaringen van appellanten en het overige onderzoek van de sociale recherche aannemelijk is geworden dat in de betreffende periode appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en appellant werkzaamheden heeft verricht. Dit heeft appellant, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het college gemeld. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

1.8.

Appellant heeft op 19 november 2014 een aanvraag om bijstand ingediend naar de norm voor een alleenstaande, met als gewenste ingangsdatum 1 september 2014.

1.9.

In het kader van deze aanvraag heeft appellant op 14 januari 2015 verklaard niet meer in [cafe] te werken. Verder heeft hij verklaard dat hij nog steeds een relatie heeft met appellante. Hij overnacht nog steeds dagelijks bij appellante, frist zich daar enigszins op, drinkt twee koppen koffie en gaat dan naar huis. Hij is van 9.30 uur tot 20.00 uur thuis, daarna gaat hij naar [cafe] tot 23.00 uur, waarna hij bij appellante slaapt.

1.10.

Bij besluit van 27 januari 2015 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

27 mei 2015 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en sub a, van de Participatiewet (PW) het rechtsvermoeden bestaat dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met appellante. Niet is gebleken dat de situatie ten aanzien van het hoofdverblijf van appellant is veranderd.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de besluiten vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de herziening (lees: intrekking) vóór 1 augustus 2009 en op de terugvordering en de medeterugvordering en het college opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen omdat het college een nieuwe berekening moest maken van het (mede)terugvorderingsbedrag.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij nader besluit heeft het college ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en de besluiten 1 en 2 herroepen voor wat betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2007 tot 1 augustus 2009 en de terugvordering en de medeterugvordering bepaald op € 62.608,-.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd en heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nader besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.

Intrekking, terugvordering en medeterugvordering, aangevallen uitspraak 1

4.2.

In hoger beroep is nog in geding de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2014, de datum van besluit 1 (de te beoordelen periode).

4.3.

Niet in geschil is dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in [cafe], dat de periode van deze werkzaamheden is beperkt tot de periode van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2014 en, gelet op wat ter zitting in hoger beroep is besproken, dat als gevolg van deze werkzaamheden appellant in die periode geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Nu het college echter de over de periode van 1 augustus 2010 tot

1 augustus 2014 gemaakte kosten van bijstand mede van appellante heeft teruggevorderd maakt ook die periode nog steeds onderdeel uit van de te beoordelen periode.

4.4.

Appellanten hebben betwist dat de onderzoeksresultaten een toereikende onderbouwing vormen voor het standpunt van het college dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.5.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.5.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.2.

Appellanten hebben verklaard dat appellant in de te beoordelen periode de nachten doorbracht bij appellante en overdag in zijn eigen woning was. Om ongeveer 10.00 uur ging appellant naar zijn eigen woning. Hij kookte daar voor zichzelf en at ’s middags warm. Hij deed daar vervolgens eventueel de was en zijn huishouding. ’s Avonds at hij daar brood en keek hij daarna televisie. Computeren deed hij in zijn eigen woning. Ook scheren en douchen deed hij in zijn eigen woning. Om ongeveer 20.00 à 20.30 uur (op maandag om 19.00 uur, donderdag ook wel om 21.00 uur en in de weekends om 18.00 uur) ging appellant naar [cafe] of, op dinsdag als [cafe] gesloten was, naar appellante. Wanneer [cafe] sloot, dat was op vrijdag en zaterdag om 02.00 uur of later en op de overige dagen rond 23.00 uur, op zondag 23.00 à 24.00 uur, ging hij, al dan niet samen met appellante, naar haar woning. Op maandag ging hij al om ongeveer 22.00 à 23.00 uur naar de woning van appellante en kwam zij veel later thuis na het afsluiten van [cafe]. Voor wat betreft het verblijf van appellant in de woning van appellante komt uit de overige onderzoeksbevindingen geen ander beeld naar voren.

4.5.3.

Vaststaat dat appellant alle nachten doorbracht in de woning van appellante. Het aantal nachten dat in een woning wordt doorgebracht is een zwaarwegend element in de beoordeling of sprake is van een hoofdverblijf in die woning. In dit geval is enkel dit element evenwel onvoldoende voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Daartoe is van belang dat ten aanzien van het verblijf van appellant in de woning van appellante niet of nauwelijks van andere omstandigheden dan het overnachten is gebleken. Uit de feiten en omstandigheden volgt juist dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant zich in zijn eigen woning bevond, omdat appellant overdag in zijn eigen woning was, daar voornamelijk zijn persoonlijke verzorging plaatsvond, hij daar twee maaltijden bereidde en gebruikte, waste en overige huishoudelijke klussen deed, hij in zijn woning computerde, televisie keek, naar muziek luisterde en downloadde en appellant voorts zijn post op het uitkeringsadres kreeg en daar zijn administratie deed. Gelet op dit zwaartepunt van het persoonlijk leven wordt het oordeel van de rechtbank, dat de activiteiten

- en aldus het verblijf van appellant in zijn woning - slechts een overbrugging vormden naar de tijd die appellant in de woning van appellante en in [cafe] doorbracht, niet onderschreven. De tijd die appellant in de avonden in [cafe] verbleef, kan niet als verblijf in dezelfde woning in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB worden aangemerkt, omdat [cafe] geen woonfunctie heeft. Dat wordt niet anders doordat [cafe] door appellante werd geëxploiteerd, appellanten op sommige tijden in [cafe] gezamenlijk aanwezig waren en appellant daar ook werkzaamheden verrichtte en zijn sociale leven had.

4.5.4.

Gelet op 4.5.3 behoeft niet meer te worden beoordeeld of aan het tweede criterium voor een gezamenlijke huishouding, wederzijdse verzorging, is voldaan en wordt geoordeeld dat appellanten in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.6.

De rechtbank heeft dat wat onder 4.5.3 is overwogen niet onderkend. De beroepsgrond slaagt.

4.7.

De aangevallen uitspraak kan niet onverkort in stand blijven. Voor de overzichtelijkheid zal de Raad die uitspraak in haar geheel vernietigen en doen wat de rechtbank zou behoren te doen, zoals in het dictum ten aanzien van aangevallen uitspraak 1 nader te omschrijven. Daarmee komt tevens de grondslag aan het nader besluit te ontvallen, zodat dit besluit eveneens moet worden vernietigd. Voorts bestaat met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Nieuwe aanvraag, aangevallen uitspraak 2

4.8.

Gelet op het feit dat het college aan appellant met ingang van april 2015 weer bijstand heeft toegekend, loopt de te beoordelen periode van 1 september 2014, de datum met ingang waarvan appellant bijstand heeft aangevraagd, tot 1 april 2015.

4.9.

Ook in deze procedure betwist appellant dat hij met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4.10.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aannemelijk geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.11.

Aan het eerste criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning wordt hier niet voldaan. Uit het feit dat de omstandigheden ten aanzien van het hoofdverblijf van appellant, gelet op zijn verklaring van 14 januari 2015 zoals vermeld in 1.9, niet zijn gewijzigd, heeft het college namelijk niet mogen concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dat volgt uit wat is overwogen in 4.5.2 tot en met 4.5.4. Reeds gelet hierop is niet voldaan aan de vereisten die artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding stelt. Het hoger beroep slaagt. Aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd.

4.12.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.13.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór 19 november 2014 buiten staat was zich te melden om bijstand aan te vragen dan wel een gegronde reden voor de latere melding had. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is dan ook niet gebleken.

4.14.

Gelet op 4.3, 4.8 en 4.11 en op wat ter zitting in hoger beroep is besproken is er geen grond om aan te nemen dat de financiële situatie van appellant in de periode van 19 november 2014 tot 1 april 2015 een andere was dan vanaf april 2015. De Raad zal dan ook, met vernietiging van bestreden besluit 3, zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan appellant over de periode van 19 november 2014 tot 1 april 2015 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande en besluit 3 herroepen.

Kostenveroordeling met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 worden deze kosten begroot op € 990,- in hoger beroep. Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 worden de kosten van appellant begroot op € 990,- in bezwaar, € 495,- in beroep en € 495,- in hoger beroep, omdat het beroep (nagenoeg) gelijktijdig ter zitting is behandeld met het beroep tegen bestreden besluit 1 en het hoger beroep tezamen met het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 ter zitting is behandeld, in totaal met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 dus € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1:

- vernietigt aangevallen uitspraak 1 behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 april 2015 ten aanzien van appellant voor zover het betreft de

intrekking van bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot 1 augustus 2010 en de

terugvordering als geheel;

- herroept het besluit van 30 september 2014 voor zover het betreft de intrekking van bijstand

over de periode van 1 januari 2007 tot 1 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 april 2015;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met

betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep

kan worden ingesteld;

- vernietigt het besluit van 22 april 2015 ten aanzien van appellante;

- herroept het besluit van 30 september 2014 ten aanzien van appellante en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 april 2015 ten aanzien van appellante;

- vernietigt het besluit van 3 januari 2016 behalve de beslissing over de vergoeding van de

kosten van bezwaar;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellanten in hoger beroep,

bepaald op € 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 123,- vergoedt;

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2:

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 mei 2015;

- herroept het besluit van 27 januari 2015, bepaalt dat over de periode van 19 november 2014

tot 1 april 2015 alsnog bijstand aan appellant wordt toegekend naar de norm voor een

alleenstaande en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

besluit van 27 mei 2015;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep

en hoger beroep, begroot op € 1.980,-.

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. ter Brugge en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2017.

(getekend) Y.J. Klik

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD