Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
16-4878 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte toegepaste kostendelersnorm. Gegevens inschrijving BRP onvoldoende; geen nader onderzoek ingesteld na betwisting dat zoon van appellant ook feitelijk op zijn adres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4878 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 juni 2016, 16/981 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 12 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 1 december 1996 bijstand, vanaf 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand en laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 20%. Ten tijde in geding was appellant woonachtig op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van een herbeoordeling van het recht van appellant op bijstand na invoering van de PW en de hierin vastgelegde kostendelersnorm, heeft het college geconstateerd dat de meerderjarige zoon van appellant, [naam zoon], in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), thans basisregistratie personen (BRP) per 18 november 2013 eveneens op het uitkeringsadres staat ingeschreven.

1.3.

Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 25 maart 2015 aan appellant meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 juli 2015 wordt gewijzigd in verband met toepassing van de kostendelersnorm.

1.4.

Appellant heeft het college op 1 juni 2015 telefonisch laten weten dat de inschrijving van zijn zoon op het uitkeringsadres een postadres betreft en dat hij het daarom niet eens is met toepassing van de kostendelersnorm.

1.5.

Op 30 juli 2015 hebben twee medewerkers van het college een onaangekondigd huisbezoek in de woning van appellant willen afleggen. Appellant heeft hieraan geen medewerking verleend. Daarnaar gevraagd heeft appellant aan de deur tegenover de medewerkers onder meer verklaard dat zijn zoon op het uitkeringsadres staat ingeschreven, dat er kleding en persoonlijke spullen van zijn zoon en spullen van de kleinkinderen van appellant in de woning aanwezig zijn en dat zijn zoon mag komen wanneer hij wil.

1.6.

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 18 november 2013 tot en met 30 juni 2015 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.634,88 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het college het bedrag van de terugvordering verhoogd met de daarover betaalde belasting en premies en nader vastgesteld op € 3.482,96.

1.7.

Bij besluit van 4 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 30 juli 2015 en 19 augustus 2015, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zijn zoon vanaf 18 november 2013 bij hem woont, zodat hij vanaf 18 november 2013 slechts recht heeft op een gemeentelijke toeslag van 10%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor een weergave van het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

De vraag waar iemand voor de toepassing van de PW zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt daarbij geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de BRP.

4.2.

Niet in geschil is dat de zoon van appellant sinds 18 november 2013 in de BRP stond ingeschreven op het uitkeringsadres en dat bij deze inschrijving bij FunctieAdres “W” is vermeld, wat duidt op woonadres.

4.3.

Het college heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op deze gegevens uit de BRP, waaruit volgens het college volgt dat de zoon van appellant zijn hoofverblijf op het uitkeringsadres heeft en dat dit niet slechts een postadres is, alsmede op het feit dat uit het systeem van de BRP volgt dat appellant voor de inschrijving zijn toestemming heeft gegeven.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd, voor zover van belang, dat zijn zoon niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, dat de vermelding in de BRP, dat het om een woonadres gaat en niet om een postadres, op een vergissing berustte en dat de gegevens in de BRP niet van doorslaggevende betekenis zijn.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt. Het besluit tot herziening van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. In dit geval heeft het college voorafgaand aan het besluit van 30 juli 2015 op basis van de BRP vastgesteld dat op het uitkeringsadres twee personen woonachtig zijn. Appellant heeft op 1 juni 2015 en in bezwaar gesteld dat zijn zoon het uitkeringsadres alleen als postadres gebruikt en daar feitelijk niet woont. Gelet op deze betwisting en wat onder 4.1 is overwogen lag het op de weg van het college nader onderzoek te doen naar het feitelijk verblijf van de zoon van appellant op het uitkeringsadres. De enkele omstandigheid dat appellant voor de inschrijving in de BRP kennelijk zijn toestemming heeft gegeven maakt dat niet anders.

4.6.

Vaststaat dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. De poging om op 30 juli 2015 op het uitkeringsadres een huisbezoek af te leggen, kan niet als een zodanig onderzoek worden aangemerkt omdat, daargelaten of sprake is geweest van het niet meewerken door appellant aan dat huisbezoek, het college aan de weigering daarvan door appellant geen consequenties heeft verbonden. De mededelingen van appellant aan de medewerkers van het college bij de poging een huisbezoek af te leggen zijn niet van dien aard dat op basis daarvan een nader onderzoek naar de woonsituatie niet langer noodzakelijk was.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke (feitelijke) grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens bestaat aanleiding de besluiten van 30 juli 2015 en 19 augustus 2015 te herroepen, aangezien aan deze besluiten hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en, gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Dat betekent dat appellant met ingang van 18 november 2013 recht houdt op een toeslag van 20% op zijn bijstandsuitkering.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 januari 2016;

- herroept de besluiten van 30 juli 2015 en 19 augustus 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in

de plaats treedt van het vernietigde besluit van 4 januari 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Smolders

HD