Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
16/2411 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2383, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding kosten bezwaarprocedure. In het onderhavige geval is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet gebleken. Uit de verklaringen van de gemachtigde van appellante volgt dat hij appellante in de onderhavige zaak alsmede in een andere zaak tegen de minister vertegenwoordigt en twee maanden voor de zitting van de rechtbank iemand anders eenmalig heeft vertegenwoordigd. Gelet hierop moet worden gesproken van slechts incidenteel verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2411 WSF

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

1 april 2016, 15/3516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. J.Chr. Donkhorst hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Donkhorst. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft appellante, voor zover hier van belang, voor de periode januari tot en met september 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
(Wsf 2000) toegekend. Bij besluit van 21 februari 2015 heeft de minister vastgesteld dat appellante in 2012 de ingevolge de Wsf 2000 geldende bijverdiengrens heeft overschreden. Daarbij heeft de minister het te veel betaalde bedrag aan studiefinanciering van haar teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 28 april 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2015 gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Vervolgens heeft de minister bij brief van 4 juni 2015 het bestreden besluit aangevuld in die zin dat de kosten van de gemachtigde die appellante ten behoeve van het maken van het bezwaar heeft ingeschakeld, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Vervolgens heeft de minister bij brief van 1 juli 2015 de grondslag van de hierboven genoemde afwijzing gewijzigd. Volgens de minister komen de kosten van de gemachtigde niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand niet kan worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (en de aanvullingen daarop) voor zover daarin haar verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand is afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante voor zover hier van belang ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand terecht niet aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft onderschreven het standpunt van de minister dat de kosten van de gemachtigde die appellante ten behoeve van het maken van het bezwaar heeft ingeschakeld, niet voor vergoeding in aanmerking komen. In dit kader heeft appellante aangevoerd dat niet valt in te zien dat de wetgever met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft bedoeld dat slechts de kosten van “commerciële vertegenwoordiging” voor vergoeding in aanmerking komen. De wetgever heeft met deze bepalingen bedoeld dat voor vergoeding in aanmerking komen de kosten van een vertegenwoordiger die effectief kan opkomen voor de belangen van de vertegenwoordigde. De bepalingen zien daarmee op de kwaliteit en het gedrag van de vertegenwoordiging. Volgens appellante moet zij vrij zijn in de invulling van haar recht op vertegenwoordiging. Ten slotte heeft appellante betoogd dat zij niet per se verlangt dat het forfaitaire tarief uit het Bpb wordt gehanteerd bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding van de kosten van de gemachtigde. Appellante wenst een vergoeding die aansluit bij haar zaak.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 1 van het Bpb kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten die in dat artikel zijn genoemd.

4.2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb kan een veroordeling in de kosten onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten zien op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvan is volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van 28 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3971, en 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279) sprake indien het verlenen van rechtsbijstand voor de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Wat appellante heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een wijziging van deze rechtspraak. Anders dan appellante stelt, heeft de wetgever blijkens de Nota van Toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763) expliciet bedoeld dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb de kosten van de door de vertegenwoordiger verleende rechtsbijstand slechts voor vergoeding in aanmerking komen, indien het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de vertegenwoordiger behoort.

4.3.

In het onderhavige geval is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet gebleken. Uit de verklaringen van de gemachtigde van appellante volgt dat hij appellante in de onderhavige zaak alsmede in een andere zaak tegen de minister vertegenwoordigt en twee maanden voor de zitting van de rechtbank iemand anders eenmalig heeft vertegenwoordigd. Gelet hierop moet worden gesproken van slechts incidenteel verleende rechtsbijstand, zodat al om die reden niet aan de criteria als vermeld onder 4.2 is voldaan. Dit heeft als gevolg dat de kosten van de gemachtigde niet op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Met juistheid heeft de rechtbank in gelijke zin geoordeeld.

4.4.

Het betoog van appellante dat het redelijk zou zijn geweest indien de minister de gemachtigde, gelet op zijn deskundigheid, desalniettemin een vergoeding zou hebben toegekend voor de door hem verrichte werkzaamheden wordt niet gevolgd. Dit betoog vindt geen steun in de wet.

4.5.

Het betoog van appellante dat zij als een gevolg van de werking van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb en de uitwerking daarvan in de vaste rechtspraak niet vrij is in de invulling van haar recht op vertegenwoordiging, wordt niet gevolgd. Appellante is in beginsel vrij om zich te laten vertegenwoordigen door wie zij wil. Dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb de kosten van de vertegenwoordiger slechts voor vergoeding in aanmerking komen, indien de door de vertegenwoordiger verleende rechtsbijstand aangemerkt kan worden als beroepsmatig verleende rechtsbijstand, doet daar niet aan af.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

HD