Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
14/5965 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht oordeel rechtbank over belastbaarheid van appelante in FML. Rapport van Sno leidt niet tot meer beperkingen in FML. Appellante is in staat geduide functies te verrichten. Ten tijde in dit geding behoorde het privégebruik van de leaseauto niet tot het maatmaninkomen. Arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd in bezwaarfase. Hogere inkomenseis. Geen sprake van strijd met het verbod van reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5965 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 september 2014, 14/886 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Meys, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een conceptrapport van dr. H.N. Sno, psychiater, van 26 februari 2016 overgelegd. Sno heeft gerapporteerd in het kader van een letstelschadezaak.

In reactie daarop heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2016 ingezonden.

Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 februari 2017 ingezonden.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.G. Gubbels, kantoorgenote van mr. Meys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

Na de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. Het Uwv is gevraagd te motiveren waarom het privégebruik van de leaseauto van appellante niet is meegenomen in het dagloon.

Het Uwv heeft op 17 maart 2017 zijn standpunt nader uiteengezet.

Appellante heeft op 24 maart 2017 gereageerd.

Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van het recht om (nogmaals) op een zitting te worden gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als adviseur. Ze heeft zich op 16 september 2010 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Bij besluit van 13 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per die datum recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 78,74%.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In dat besluit is verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2014, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 74,48%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn neergelegd. De aan appellante voorgehouden functies kunnen aan de schatting ten grondslag worden gelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat voldoende is toegelicht dat de auto van de zaak en de eindejaarsuitkering bij de vaststelling van het maatmaninkomen zijn meegenomen. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet meebrengt dat sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft daartoe verwezen naar het conceptrapport en het definitieve rapport van Sno van 25 maart 2016. Volgens haar zijn de daarin genoemde diagnoses ook op de datum in geding aanwezig. Zij heeft voorst gesteld dat de wijziging in het verlies aan het verdienvermogen wel degelijk in strijd is met het verbod van reformatio in peius omdat zij meer zal moeten verdienen met arbeid, wil zij voor een loonaanvullingsuitkering in aanmerking komen. Ter zitting heeft zij haar standpunt met betrekking tot de eindejaarsuitkering niet gehandhaafd; wel vindt zij dat het privégebruik van de lease auto ten onrechte niet in het maatmaninkomen is meegenomen.

3.2.1.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 2 mei 2016 gesteld dat de door Sno gestelde diagnoses aansluiten op de bevindingen van de behandelaar en de verzekeringsartsen van het Uwv.

3.2.2.

In de brief van 17 maart 2017 heeft het Uwv uiteengezet waarom het privégebruik van de leaseauto niet in het maatmaninkomen thuis hoort.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de belastbaarheid van appelante in de FML op zorgvuldige en juiste wijze is neergelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gesproken op de hoorzitting en heeft in het rapport van 28 februari 2014 de informatie van de behandelaars inzichtelijk gewogen. Appellante is aangewezen op werk zonder extreme druk en stress, is beperkt ten aanzien van het hanteren van conflicten en voor werk met leidinggevende aspecten en er is een beperking in het aantal uren dat zij kan werken. Wat betreft het in hoger beroep overgelegde rapport van Sno heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend uiteengezet dat de daarin genoemde diagnoses niet wezenlijk verschillen van waar het Uwv is uitgegaan en niet leiden tot meer beperkingen in de FML.

4.1.2.

In de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2014 en 9 februari 2017 is voldoende toegelicht dat appellante in staat moet zijn de geduide functies te verrichten.

4.2.1.

Het wettelijk kader betreffende het privégebruik van de leaseauto in de in geding zijnde referteperiode (2009/2010) is als volgt.

Artikel 7, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten luidt met ingang van

1 juli 2008:

“Bij de vaststelling van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, en in

artikel 1 van de Wet WIA, worden het inkomen, de inkomsten uit arbeid en de verdiensten van

de gezonde of de niet-jonggehandicapte persoon bepaald door van de verzekerde of de

jonggehandicapte in aanmerking te nemen:

a. het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet’’.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet financiering sociale verzekeringen is, voor zover hier van belang, geregeld dat voor de toepassing van dit hoofdstuk onder loon wordt verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), waarbij van die wet artikel 13bis buiten toepassing blijft. Artikel 13bis van de Wet LB 1964 regelt de bijtelling van het privégebruik van de leaseauto.

4.2.2

Uit dit samenstel van bepalingen moet worden geconcludeerd dat ten tijde in dit geding het privégebruik van de leaseauto niet tot het maatmaninkomen behoorde. Het standpunt van het Uwv in de brief van 17 maart 2017 is juist. De Raad wijst voorts op zijn uitspraak van 4 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:916) over de invoering van de Wet uniformering loonbegrip. In die wet is geregeld dat het privégebruik van de leaseauto (weer) tot het maatmaninkomen wordt gerekend. Deze wet is ingevoerd per 1 januari 2013 en geldt niet voor appellante aangezien daaraan geen terugwerkende kracht is gegeven.

4.3.

Het standpunt van appellante dat sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius omdat na bezwaar het arbeidsongeschiktheidspercentage is verlaagd, wordt niet gevolgd. De Raad verwijst naar de overwegingen 4.1 en 4.2 in zijn uitspraak van 14 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2557).

4.4.

In de bezwaarfase is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd doordat dit in plaats van op 78,74% nader is vastgesteld op 74,48%. Dit betekent dat voor appellante een hogere inkomenseis is gaan gelden. Op grond van vaste rechtsspraak van de Raad heeft in bezwaar een wijziging van de rechtpositie van appellante plaatsgevonden (zie de uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1 en de uitspraak van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4471). Anders dan in genoemde rechtspraak bestaat deze wijziging niet in een verhoging, maar in een verlaging van de in aanmerking te nemen mate van arbeidsongeschiktheid. In deze situatie brengt artikel 7:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mee dat niet tegemoet kan worden gekomen aan het verzoek van appellante het Uwv te veroordelen in de door haar in bezwaar gemaakte kosten. Dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in bezwaar op een lager percentage is vastgesteld dan bij het primair besluit heeft weliswaar tot gevolg dat de rechtspositie van appelante ten gevolge van het maken van bezwaar is gewijzigd en dat het primaire besluit moet worden herroepen, maar deze herroeping berust niet op een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid, omdat het Uwv de belastbaarheid van appellante bij het primaire besluit niet heeft overschat.

4.5.

Wat in 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard en dat het besluit alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 1.237,50 in hoger beroep, in totaal € 2.227,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 maart 2014;

- herroept het besluit van 13 september 2013;

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 maart 2014;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.227,50;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €167,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KS