Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
16/7148 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomensondersteuning AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7148 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 oktober 2016, 15/3484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant),

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2017. Appellant is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen en

mr. drs. A. Slovacek.

OVERWEGINGEN

1. Appellant woont in Marokko en ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) waarop een korting is toegepast, omdat appellant een aantal jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant ontving daarnaast tot 1 januari 2015 een tegemoetkoming KOB (Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen) gebaseerd op de Regeling koopkrachttegemoetkoming niet-KOB-gerechtigden met een AOW-pensioen (Regeling tegemoetkoming KOB). Deze tegemoetkoming KOB was een vast bedrag per maand, van laatstelijk € 25,12. Met een besluit van 23 december 2014 heeft de Svb laten weten dat de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 vervalt en dat aan hem per die datum een inkomensondersteuning AOW wordt toegekend. De hoogte van deze inkomensondersteuning AOW is afhankelijk van het aantal verzekerde jaren voor de AOW. Voor appellant houdt dit in dat hij recht heeft op € 1,52 (6%) bruto per maand. Bij besluit van 15 mei 2015 is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de vervanging van de tegemoetkoming KOB door de veel lagere inkomensondersteuning een gevolg is van nieuwe regelgeving, waarvan niet kan worden afgeweken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij van zijn verlaagde uitkering niet kan rondkomen. Hij heeft gevraagd weer voor een tegemoetkoming KOB in aanmerking te worden gebracht.

Juridisch kader

4.1.

Op 1 januari 2006 is in werking getreden artikel 33b van de AOW. Dit artikel regelde dat iedereen die een AOW-pensioen ontving, recht had op een tegemoetkoming AOW. Deze tegemoetkoming AOW was, volgens de wetgever, nodig omdat de koopkracht van een bepaalde groep van AOW-gerechtigden door de uitwerking van de Nederlandse fiscale regelgeving was achtergebleven. De tegemoetkoming AOW was een vast bedrag per maand, dat tegelijk met het AOW-pensioen werd uitbetaald. Omdat als gevolg van deze regeling ook AOW-gerechtigden in het buitenland, die in principe geen financiële gevolgen hadden ondervonden van Nederlandse fiscale regelingen, de tegemoetkoming AOW ontvingen, is de tegemoetkoming AOW met ingang van 1 juni 2011 vervangen door de tegemoetkoming KOB, gebaseerd op de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wet MKOB). Ook deze tegemoetkoming KOB was een vast bedrag per maand, dat eveneens tegelijk met het AOW-pensioen werd uitbetaald. Om voor de tegemoetkoming KOB in aanmerking te komen, diende de betrokkene in Nederland te wonen, of diende 90% van het wereldinkomen van betrokkene in Nederland aan de belastingheffing onderworpen te zijn. Als gevolg van deze regeling ontvingen met name AOW-gerechtigden woonachtig buiten Nederland geen tegemoetkoming KOB meer. De rechtbank Haarlem heeft in een aantal uitspraken van 3 april 2012 (onder andere ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0665) geoordeeld dat de tegemoetkoming KOB een uitkering in verband met ouderdom was. Voor zover het toepasselijk verdragsregime de export van een ouderdomspensioen voorschreef, diende dit ook de tegemoetkoming KOB te omvatten. Ter uitvoering van deze uitspraken heeft de wetgever per 1 oktober 2013 de Regeling tegemoetkoming KOB vastgesteld. Op grond hiervan kregen AOW-gerechtigden die daarvóór geen recht hadden op een tegemoetkoming, met terugwerkende kracht tot 1 juni 2011 alsnog een tegemoetkoming die in hoogte en overige voorwaarden gelijk was aan de tegemoetkoming KOB.

4.2.

Met een besluit van 27 juni 2014, Staatsblad 2014, 242, in werking getreden op 1 januari 2015, is het bedrag dat als tegemoetkoming KOB werd verstrekt, op € 0,00 gesteld. Met een Regeling van 30 juni 2014, nr. 2014-0000087630, is de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden (Tijdelijke regeling) tot stand gebracht. Hierin is geregeld dat per 1 januari 2015 aan AOW-gerechtigden een tegemoetkoming wordt toegekend van € 25,12 per maand. Op dit bedrag wordt een korting toegepast voor niet verzekerde jaren.

4.3.

Per 1 februari 2015 is ten slotte in werking getreden de Wet van 28 januari 2015 Staatsblad 2015, 28. In deze wet is neergelegd dat aan de AOW wordt toegevoegd artikel 33a, waarin wordt geregeld dat een AOW-gerechtigde een maandelijkse tegemoetkoming (Inkomensondersteuning AOW) ontvangt, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal opgebouwde jaren. De Wet MKOB wordt met deze wet ingetrokken.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit, uitsluitend beoordeeld naar nationaal recht, correct is.

5.2.1.

De Raad vat de door appellant aangevoerde grond op als een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Artikel 1 Eerste Protocol luidt in de Nederlandse vertaling:

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

5.2.2.

De Svb heeft erkend dat de KOB eigendom vormt in de zin van artikel 1 Eerste Protocol en dat de vervanging van de KOB door de veel lagere inkomensondersteuning AOW een inmenging vormt in het eigendomsrecht van appellant in de zin van deze bepaling. De vraag moet worden beantwoord of deze inmenging in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol.

5.2.3.

In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat volgens vaste rechtspraak aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, zowel om de doelstellingen van sociaaleconomisch beleid te bepalen, als om de middelen te kiezen waarmee hij die doelstellingen wenst te verwezenlijken.

5.2.4.

Uit de parlementaire stukken blijkt dat de wetgever tot de afschaffing van de tegemoetkoming KOB en het op een andere wijze vaststellen van de hoogte van de inkomensondersteuning AOW heeft besloten wegens, onder andere, noodzakelijk geachte besparing op de uitkeringslasten (TK 2013-2014, 29389, nr. 74, pag. 2). Er kan niet gezegd worden dat het streven naar bezuinigingen niet in het algemeen belang geschiedt. Er is dan ook sprake van een legitiem doel.

5.2.5.

Voorts wordt geoordeeld dat de intrekking van de tegemoetkoming KOB onder toekenning van de lagere inkomensondersteuning AOW in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel. Hieraan doet niet af dat AOW-gerechtigden die buiten Nederland wonen, verhoudingsgewijze veel meer bijdragen aan de bezuiniging dan in Nederland wonende AOW-gerechtigden. In dit verband is van belang dat de oorspronkelijke reden voor een nadere tegemoetkoming aan AOW-gerechtigden was dat de koopkracht van (een deel van) deze groep personen als gevolg van de Nederlandse fiscale regelgeving niet langer op het gewenste peil was. Weliswaar werd de tegemoetkoming in 2005 aan iedere AOW-gerechtigde toegekend, maar daarmee kwam zij ook ten goede aan personen die, omdat zij buiten Nederland woonden, niet onder de Nederlandse fiscale regelgeving vielen en derhalve de financiële gevolgen van de inrichting van de Nederlandse fiscale regelgeving niet zelf ondervonden. Hoewel kan worden aangenomen dat in het buitenland wonende

AOW-gerechtigden verhoudingsgewijs zwaarder worden getroffen dan in Nederland wonende AOW-gerechtigden, kan niet uit het oog worden verloren dat van de eerste groep vooral personen deel uitmaken die niet tot de primaire doelgroep van de tegemoetkoming behoorden.

5.2.6.

Verder is van belang dat de tegemoetkoming niet een primaire, door verzekerde jaren, opgebouwde inkomensbron vormt, maar slechts een als relatief gering bedoelde aanvulling hierop. Door voor de berekening van deze aanvulling aan te sluiten bij het aantal verzekerde jaren, wordt een evenwichtiger verhouding bereikt tussen de basisprestatie (het opgebouwde AOW-pensioen) en de aanvulling hierop. Er kan niet worden gezegd dat de wetgever door de keuze voor dit middel om het legitieme bezuinigingsdoel te bereiken, de ruime grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

5.2.7.

Voorts moet worden vastgesteld dat al in juni 2014 de regeling tot stand is gekomen op grond waarvan de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 op € 0,00 is gesteld en tevens de Tijdelijke regeling is gepubliceerd. Uit de stukken blijkt dat de Svb appellant in juli 2014 over de gevolgen van deze regelingen heeft geïnformeerd. Appellant heeft dus ongeveer een half jaar de tijd gehad om zich op deze nieuwe (inkomens)situatie in te stellen.

5.2.8.

Ten slotte kan niet worden gesteld dat op appellant een onevenredige individuele last is komen te rusten. Hiertoe wordt overwogen dat de tegemoetkoming niet een primaire, door verzekerde jaren, opgebouwde inkomensbron vormt, maar slechts een als relatief gering bedoelde aanvulling hierop in verband met de inrichting van het Nederlandse fiscale stelsel.

5.3.

Uit 5.1 tot en met 5.2.8 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2017.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) L.H.J. van Haarlem

IvR