Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
15/3688 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten tijde van belang wens tot samenleving, geen gewilde verbreking van echtelijke samenleving. Ook geen sprake van ongewilde verbreking. Daarom geen grond om appellant als ongehuwd aan te merken. Verplichting bij gelijkheidsbeginsel. Beroep op verdragsrechtelijke discriminatieverboden slaagt niet. Inlichtingenverplichting, redelijkerwijs duidelijk. Gehoudenheid terugvordering teveel betaalde toeslag. Geen opzet appellant. In beginsel boete, maar aan deze boete ontbreekt de basis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3688 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 april 2015, 14/2181 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 december 2016. Namens appellant is mr. Van de Wiel verschenen. Het Uwv heeft zich als gevolg van onvoorziene omstandigheden niet laten vertegenwoordigen. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de zaak op een latere datum in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het Uwv te behandelen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 8 februari 2017. Namens appellant is

mr. Van de Wiel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Nederveen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf 25 augustus 2005 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 20 september 2007 heeft het Uwv appellant daarnaast met ingang van 26 juli 2007 in aanmerking gebracht voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naar het voor een ongehuwde geldende bedrag. Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het Uwv de hoogte van de toeslag met ingang van 1 januari 2008 aangepast in verband met een wijziging van de hoogte van de sociale minima.

1.2.

Op een wijzigingsformulier van 14 mei 2013 heeft appellant vermeld dat hij is getrouwd met [naam] en dat zij nog in Marokko woont. Op een wijzigingsformulier van 25 juni 2013 heeft appellant nadere informatie verschaft, namelijk dat hij in Marokko is getrouwd op 3 augustus 2012, dat zijn echtgenote is geboren [in] 1976 en dat zij binnenkort naar Nederland komt.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het Uwv de toeslag met ingang van 1 juli 2013 stopgezet. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het Uwv de toeslag van appellant ingetrokken met ingang van 3 augustus 2012, de datum waarop hij met [naam] is getrouwd.

1.5.

Bij een tweede besluit van 30 januari 2014 heeft het Uwv de toeslag over de periode van 3 augustus 2012 tot en met 30 juni 2013 tot een bedrag van € 3.920,33 bruto teruggevorderd. Hierop heeft het Uwv een nabetaling in mindering gebracht.

1.6.

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft het Uwv appellant een boete van € 840,- opgelegd in verband met het te laat doorgeven van de verandering in zijn leefsituatie.

1.7.

Appellant heeft zowel tegen de besluiten van 30 januari 2014 als tegen het besluit van

19 februari 2014 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft het Uwv op 27 januari 2015 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Hierbij heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd voor zover het de boete betreft, de boete vastgesteld op € 10,-, het bezwaar tegen het boetebesluit van 19 februari 2014 gelet hierop gegrond verklaard en de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 974,- vergoed. Voor het overige heeft het Uwv het in bestreden besluit 1 neergelegde standpunt gehandhaafd.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep, voor zover het is gericht tegen de bij bestreden besluit 1 gehandhaafde boete, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, het Uwv opgedragen het griffierecht van € 45,- aan appellant te vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep van € 980,-.

De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en daarom voor de toepassing van de TW als ongehuwd moest worden aangemerkt niet onderschreven. De rechtbank heeft voorts het standpunt van appellant niet onderschreven dat, voor zover hij toch als gehuwd zou moeten worden aangemerkt, in zijn situatie aanleiding bestaat om af te wijken van wat is bepaald in artikel 3 van de TW, omdat sprake is van strijd met het discriminatieverbod, zoals dat onder andere is neergelegd in de artikelen 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, door pas met het wijzigingsformulier van 14 mei 2013 door te geven dat hij met ingang van 3 augustus 2012 gehuwd is. Uit wat appellant heeft vermeld in het wijzigingsformulier van 25 juni 2013 blijkt dat appellants echtgenote is geboren na 31 december 1971. Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat gedurende de periode in geding tot het huishouden van appellant geen eigen, aangehuwd of pleegkind jonger dan twaalf jaar behoorde, heeft het Uwv terecht gesteld dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 3 van de TW over de periode van 3 augustus 2012 tot en met 30 juni 2013 geen recht had op toeslag. Als gevolg daarvan is een te hoog bedrag aan toeslag aan appellant betaald. Het Uwv was dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW, verplicht het recht op toeslag alsnog met ingang van 3 augustus 2012 in te trekken. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv tevens gehouden de teveel betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien is niet gebleken. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv ten aanzien van de boete zo begrepen dat een boete van € 10,- evenredig is aan de aard en de ernst van de overtreding, rekening houdend met de financiële situatie van appellant. De toepasselijke regelgeving en rechtspraak verzetten zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen het opleggen van een boete van € 10,- wanneer, zoals hier, de aflossingscapaciteit nihil is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij zijn beroep ongegrond heeft verklaard. Hij heeft zijn in beroep naar voren gebrachte standpunt herhaald dat hij ten tijde van belang duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en daarom voor de toepassing van de TW als ongehuwd moest worden beschouwd. Voor zover hij toch als gehuwd zou moeten worden aangemerkt, heeft hij zijn beroep herhaald op de discriminatieverboden die zijn neergelegd in artikel 14 van het EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, en artikel 26 van het IVBPR. Ook heeft appellant bestreden dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. In dit verband heeft hij aangevoerd dat hem niet duidelijk kon zijn dat hij zijn huwelijk moest doorgeven, waarbij hij heeft aangetekend dat nu zijn echtgenote in Marokko was gebleven geen wijziging was opgetreden in zijn leefvorm of gezinssamenstelling in Nederland; voor zijn huwelijk woonde hij alleen en daarna ook. Ten aanzien van de boete heeft appellant betoogd dat deze, voor zover voor het opleggen daarvan al een grondslag aanwezig zou zijn, gelet op de afwezigheid van draagkracht op nihil zou moeten worden gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de TW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.1.2.

Op grond van artikel 2, derde lid, van de TW heeft een ongehuwde die recht heeft op een loondervingsuitkering en die een inkomen heeft dat lager is dan het in dat artikellid genoemde bedrag recht op een toeslag.

4.1.3.

Op grond van artikel 3 van de TW heeft een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan twaalf jaar.

4.1.4.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de TW, voor zover van belang, trekt het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van toeslag;

b. indien anderszins de toeslag ten onrechte is verleend.

4.1.5.

Op grond van artikel 12 van de TW, voor zover van belang, is degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.

4.1.6.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 11a TW onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

De intrekking en de terugvordering van de toeslag

4.2.

Aan de orde is eerst de vraag of appellant duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en daarom als ongehuwd dient te worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de TW.

4.3.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, wordt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 november 2012, ECLI:NL:CRVB2012:BY2763) voor de uitleg van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960 (RSV 1960/67). Daarbij worden twee situaties onderscheiden waarin sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten, te weten:

1. een door beiden, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt, als ware hij niet met de ander gehuwd waarbij deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld (de zogenoemde gewilde verbreking);

2. de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beiden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen (de zogenoemde ongewilde verbreking).

Daaraan wordt toegevoegd dat in de rechtspraak voorts tot uitdrukking is gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om een – al dan niet van een gezamenlijke huishouding te onderscheiden – vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Evenwel is niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt (zie de uitspraak van de Raad van 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172).

4.4.

Naar tussen partijen niet in geschil is, hadden appellant en [naam] ten tijde van belang de wens tot samenleving. Van een gewilde verbreking, als hiervoor beschreven, was dan ook geen sprake. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was ook geen sprake van een ongewilde verbreking als hiervoor beschreven. Weliswaar hadden appellant en [naam] ten tijde van belang nog niet de mogelijkheid in Nederland samen te leven, maar dat betekent niet dat zij niet elders hadden kunnen samenleven, bijvoorbeeld in Marokko. Dat appellant om hem moverende redenen in Nederland wilde blijven, laat onverlet dat hij ook een andere keuze had kunnen maken.

4.5.

In het licht van wat is overwogen in 4.3 en 4.4 wordt geconcludeerd dat er geen grond was om appellant in weerwil van zijn huwelijk met [naam] voor de toepassing van de TW als ongehuwd aan te merken.

4.6.

[naam] is geboren [in] 1976, dus na 31 december 1971. Tot het huishouden van appellant behoorden ten tijde van belang geen kinderen. Dat betekent dat appellant, gelet op artikel 3 van de TW, geen recht had op toeslag.

4.7.

Appellant heeft voorts een beroep gedaan op de verdragsrechtelijke discriminatieverboden. Vooropgesteld moet worden dat deze discriminatieverboden niet meebrengen dat elke ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen verboden is, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd, omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen al dan niet als gelijk moeten worden beschouwd, en, indien zij als gelijk worden beschouwd, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (zie de uitspraak van de Raad van 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172).

4.8.

Bij het onderscheid tussen enerzijds gehuwden met een echtgenoot geboren tot en met

31 december 1971 en anderzijds gehuwden met een echtgenoot geboren na 31 december 1971 in de TW heeft de wetgever rekening gehouden met de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen en heeft hij gemeend vanaf de generatie die na 1990 achttien jaar wordt de arbeidsparticipatie van beide partners als uitgangspunt te kunnen nemen (Kamerstukken I 1986/87, 19 257, nr. 21, blz. 15).

4.9.

Appellant heeft de validiteit van het in 4.8 genoemde uitgangspunt in zijn algemeenheid niet bestreden, maar betoogd dat aan dit uitgangspunt in een situatie als de zijne niet kan worden vastgehouden nu [naam] niet in Nederland, maar in Marokko woont en de door de wetgever veronderstelde arbeidsparticipatie van vrouwen die na 1990 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt of zullen bereiken zich niet voordoet ten aanzien van Marokkaanse vrouwen die in het land van herkomst zijn opgegroeid en verblijven in Marokko. Bovendien is [naam] laag opgeleid, wat haar mogelijkheden voor arbeidsparticipatie volgens appellant nog geringer maakt. Appellant heeft bij de toets aan de discriminatieverboden een meer geïndividualiseerde benadering bepleit, waarbij rekening wordt gehouden met de concrete situatie van zijn echtgenote.

4.10.

Het onder 4.9 samengevatte betoog van appellant wordt aldus begrepen dat naar de mening van appellant ongelijke gevallen – enerzijds gehuwden met een echtgenote die in Nederland woont en anderzijds gehuwden met een echtgenote die niet in Nederland woont, maar in een land met een geringere arbeidsparticipatie van vrouwen – ten onrechte gelijk worden behandeld. Appellant wenst in feite dat artikel 3 van de TW ten aanzien van mensen zoals hij buiten toepassing wordt gelaten. In reactie hierop wordt er allereerst op gewezen dat het gelijkheidsbeginsel ertoe verplicht gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk te behandelen naar de mate van hun ongelijkheid. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad doet discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid (onder andere de arresten van 19 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5353, en 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572). De Raad heeft zich in zijn uitspraak van 26 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362) daarbij aangesloten.

4.11.

Wat betreft het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 14 van het EVRM, wordt allereerst overwogen dat het uitgangspunt dat toepassing van de TW in een geval als hier aan de orde binnen het toepassingsbereik valt van artikel 1 van het Eerste Protocol impliceert dat appellant ook een beroep toekomt op het accessoire discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM.

4.12.

Van een direct of indirect als verdacht aangemerkt onderscheid, zoals onderscheid naar geslacht, ras of andere persoonlijke karakteristieken is geen sprake. Dat betekent dat het hier moet gaan om een beroep op de ‘open norm’ van artikel 14 van het EVRM. Een zogenoemde ‘very weighthy reasons’-toets is dan niet aan de orde.

4.13.

Appellant stelt in feite dat bij de toepassing van artikel 3 van de TW rekening moet worden gehouden met de woonplaats van de partner. Deze stelling wordt niet onderschreven. Een zodanig meer geïndividualiseerde beoordeling is niet noodzakelijk in een geval als het onderhavige, waar de ruime ‘margin of appreciation’ van de wetgever op het terrein van de sociale verzekering van toepassing is en waarin een ‘very weighty reasons’-toets niet aan de orde is. Gelet hierop is geen sprake van een overduidelijke onevenredigheid als bedoeld in de in 4.10 genoemde rechtspraak. Artikel 14 van het EVRM vereist voorts niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1070 en het arrest van het EHRM van 16 maart 2010, Carson, nr. 42184/05, par. 62).

4.14.

Voor de rechterlijke toetsing aan het verbod op discriminatie dat is opgenomen in

artikel 26 van het IVBPR is er geen grond om andere, strengere maatstaven aan te leggen dan hiervoor bij de toetsing aan artikel 14 van het EVRM zijn gehanteerd.

4.15.

Uit wat in 4.7 tot en met 4.14 is overwogen, volgt dat het beroep op de verdragsrechtelijke discriminatieverboden niet slaagt.

4.16.

Appellant is op 3 augustus 2012 met [naam] getrouwd. Hij heeft hiervan echter tot het wijzigingsformulier van 14 mei 2013 in het geheel geen melding gedaan aan het Uwv en pas met het wijzigingsformulier van 25 juni 2013 alle relevante gegevens verschaft, zoals de geboortedatum van zijn echtgenote. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting van artikel 12 van de TW heeft geschonden. Aan appellant is bij het besluit van 20 september 2007 een toeslag toegekend voor een ongehuwde/alleenstaande en hij is er bij die gelegenheid op gewezen dat hij veranderingen in zijn leefvorm of gezinssamenstelling onmiddellijk aan het Uwv moest doorgeven. Bij het besluit van 27 maart 2008 is hij erop gewezen dat hij veranderingen in zijn gezinssamenstelling binnen zeven dagen moest doorgeven. Gelet hierop had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij aan het Uwv moest doorgeven dat hij met [naam] getrouwd was. Voor de veronderstelling dat appellant, zoals door hem betoogd, alleen melding hoefde te maken van een verandering van zijn situatie in Nederland bestaat geen enkele basis. Daarbij wordt aangetekend dat appellant kennelijk ook wel begrepen heeft dat hij zijn huwelijk moest melden, want op 14 mei 2013 heeft hij dat alsnog gedaan.

4.17.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv, gelet op artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW gehouden was de toeslag met ingang van 3 augustus 2012 in te trekken en op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW gehouden was de teveel betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Van dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is niet gebleken.

De boete

4.18.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft overtreden en dat hem ter zake daarvan een verwijt kan worden gemaakt, nu hij, zoals hiervoor overwogen, niet tijdig melding heeft gemaakt van zijn huwelijk, terwijl hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat hij dat moest doen.

4.19.

Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bedrag van de boete verlaagd van € 840,- naar € 10,-. Aan deze verlaging heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat inmiddels is gebleken dat appellant geen aflossingscapaciteit heeft, terwijl de boete niet hoger mag zijn dan het bedrag dat binnen een jaar kan worden terugbetaald. Gelet hierop heeft het Uwv afgezien van het exact berekenen van het boetebedrag. Vanwege een afronding naar boven heeft het Uwv het boetebedrag gesteld op € 10,-, aldus het Uwv in bestreden besluit 2. Het Uwv heeft daarbij aangetekend gelet op de Beleidsregel boete werknemer 2013 (Beleidsregel) niet te kunnen volstaan met een waarschuwing, aangezien sprake was van het opzettelijk overtreden van de inlichtingenverplichting, nu het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zijn huwelijk invloed zou kunnen hebben op de hoogte van de toeslag en hij desondanks pas na ruim tien maanden melding had gemaakt van zijn huwelijk.

4.20.

Het standpunt van het Uwv dat het hier gaat om het opzettelijk overtreden van de inlichtingenverplichting wordt niet gevolgd. Opzet impliceert een willens en weten handelen of nalaten. Daarvan is hier geen sprake. Dat betekent echter niet dat een waarschuwing mogelijk was. Op grond van artikel 14a, tweede lid, van de TW, zoals dat tot en met

31 december 2012 gold, en artikel 14a, derde en vierde lid, van de TW, geldend met ingang van 1 januari 2013, was een waarschuwing namelijk alleen mogelijk wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet had geleid tot een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag (tot en met 31 december 2012) respectievelijk een benadelingsbedrag (vanaf 1 januari 2013). In dit geval is wel teveel aan toeslag betaald respectievelijk is sprake van een benadelingsbedrag. Reeds daarom behoorde een waarschuwing niet tot de mogelijkheden. Het Uwv heeft zich dan ook terecht uitsluitend gericht op de mogelijkheid een boete op te leggen. Met het oog op toepassing van het lex mitior-beginsel wordt daaraan toegevoegd dat ook op grond van de wet- en regelgeving zoals deze vanaf 1 januari 2017 geldt in een situatie als hier aan de orde niet is voorzien in een waarschuwing in plaats van een boete, nu op grond daarvan alleen een waarschuwing mogelijk is bij een benadelingsbedrag dat niet hoger is dan € 150,- en in de situatie waarin de betrokkene alsnog uit eigen beweging binnen 60 dagen de juiste inlichtingen heeft verstrekt. Geen van beide situaties is hier aan de orde.

4.21.

Ter zitting heeft het Uwv bij de opgelegde boete van € 10,- gesteld dat geen sprake is van een afronding van een bedrag van € 0,00 naar boven, maar van het opleggen van het theoretisch/rekenkundig laagst mogelijke boetebedrag, nu na de uitspraak van de Raad van

24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3745) de minimum-boete van € 150,- uit artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten niet langer wordt gehanteerd. Volgens het Uwv is, ook indien de betrokkene geen draagkracht heeft, een prikkel in de vorm van een boete aangewezen.

4.22.

Het Uwv heeft ter onderbouwing van het standpunt dat € 10,- het theoretisch/rekenkundig laagst mogelijke boetebedrag is geen andere bepaling in de regelgeving kunnen aanwijzen dan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat tot 1 januari 2017 gold. Deze bepaling zegt niets anders dan dat een bestuurlijke boete naar boven afgerond wordt op een veelvoud van € 10,-. Aangezien het Uwv ter zitting nu juist heeft betoogd het bedrag van € 10,- niet te hebben gevonden door afronding valt niet in te zien hoe het Uwv de boete van € 10,- heeft kunnen baseren op deze bepaling. Nu het Uwv ook geen andere bepaling heeft genoemd als basis voor deze boete en ook de ten tijde van belang geldende Beleidsregel daarin niet voorzag, wordt geconcludeerd dat de rechtbank deze boete ten onrechte in stand heeft gelaten.

4.23.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.22 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt voor zover het om de herziening en de terugvordering van de toeslag gaat en wel slaagt voor zover het om de boete gaat. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover aangevochten, dat wil zeggen voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

Doende wat de rechtbank zou moeten doen zal het beroep tegen bestreden besluit 2 alsnog gegrond worden verklaard voor zover het de boete betreft en ongegrond voor het overige. Het besluit van 19 februari 2014 zal worden herroepen. Daarmee komt de boete te vervallen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.237,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 januari 2015 gegrond voor zover het de door het Uwv opgelegde boete betreft, vernietigt dit besluit in zoverre, herroept het besluit van 19 februari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 27 januari 2015;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 januari 2015 ongegrond voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.237,50;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB