Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
17/3950 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft het reisrecht niet op de door de wetgever voorgeschreven wijze beëindigd. In de maand februari 2016 en de eerste helft van de maand maart 2016 is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000, resulterend in een OV-schuld van € 291,- over die periode. Geen bijzondere omstandigheden om van de hardheidsclausule af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3950 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 april 2017, 16/2365 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 6 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft E. van de Pol hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door Van de Pol. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Nadat appellant zijn aanvraag om studiefinanciering per 1 september 2015 had beëindigd, heeft de minister appellant bij besluit van 5 september 2015 meegedeeld dat hij vanaf september 2015 geen recht heeft op studiefinanciering en daarmee ook geen recht meer heeft op een studentenreisproduct. Vermeld is dat appellant het studentenreisproduct zelf moet stopzetten bij een ophaalautomaat. Voor meer informatie is gewezen op de website www.studentenreisproduct.nl.

1.2.

Bij besluit van 25 september 2015 heeft de minister appellant meegedeeld dat er een week- of weekendabonnement op zijn OV-chipkaart stond, terwijl hij daar geen recht op had. Daardoor is een OV-schuld van € 194,- ontstaan. Nadien is de OV-schuld in de periode oktober 2015 tot en met februari 2016 maandelijks opgelopen met € 194,- en in de eerste helft van maart 2016 met € 97,-. De minister heeft dit vastgesteld bij besluiten van 23 oktober 2015, 9 december 2015, 24 december 2015, 29 januari 2016, 27 februari 2016 en 25 maart 2016.

1.3.

Bij besluit van 13 april 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 25 september 2015, 23 oktober 2015, 9 december 2015,

24 december 2015 en 29 januari 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Voorts heeft de minister bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 27 februari 2016 en 25 maart 2016 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 27 februari 2016 en 25 maart 2016 ongegrond is verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 september 2015 geen recht meer had op studiefinanciering, waaronder een studentenreisproduct, en evenmin dat appellant het studentenreisproduct eerst op 8 maart 2016 op de daartoe voorgeschreven wijze heeft stopgezet. Dit leidt tot de vaststelling dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) over februari en maart 2016 een OV-schuld heeft opgebouwd van € 291,-. Niet is gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 of van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule afgeweken zou moeten worden

van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000. Er zijn geen aanknopingspunten dat de door de minister verstrekte informatie over de bij het studentenreisproduct geldende rechten en plichten onduidelijk, onvolledig of onjuist is. Uit deze informatie blijkt dat appellant, na de melding van zijn gestolen OV-chipkaart op 29 mei 2015, een vervangende OV-chipkaart had moeten aanvragen, waarna hij het studentenreisproduct kon stopzetten bij de automaat en zijn reisrecht zou zijn beëindigd. In de uitspraak van de Raad van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824, is geoordeeld dat nog steeds sprake is van een op een

OV-chipkaart geactiveerd reisrecht op het moment dat de kaart is geblokkeerd. Hoewel de procedure voor het beëindigen van het reisrecht is gewijzigd, heeft deze rechtspraak nog steeds betekenis.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert primair aan dat niet voldaan is aan de in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor het vaststellen van een OV-schuld. Door het blokkeren van zijn OV-chipkaart op 29 mei 2015 bij de vervoersbedrijven, zonder een nieuwe OV-chipkaart aan te vragen, beschikte hij niet meer over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct. Nu het reisrecht met ingang van 1 december 2012 niet langer moet worden beëindigd bij de minister maar bij de vervoersbedrijven heeft het door de Raad in zijn uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824 gegeven oordeel geen betekenis meer. Subsidiair is gesteld dat het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan appellant kan worden toegerekend dan wel dat de minister onder toepassing van de hardheidsclausule had moeten afzien van het vaststellen van een OV-schuld. In dit verband is gewezen op de gebrekkige informatievoorziening door de minister en de vervoersbedrijven. Voorts is in dit verband gewezen op een rapport van de Nationale Ombudsman.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 3.26, eerste lid, van de Wsf 2000 luidt:

"Het reisrecht vangt aan op het moment dat de studerende het reisproduct heeft geladen op een daarvoor bestemde OV-chipkaart."

Artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 luidt:

"De studerende is verplicht het reisproduct stop te zetten uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:

a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd, of

(…)

2. Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.

4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond."

Deze ministeriële regeling is de Regeling studiefinanciering 2000 (Rsf 2000).

Artikel 4.2, eerste en tweede lid, van de Rsf 2000 luidt:

"1. Het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat op de ov-chipkaart is geladen, stop te zetten.

2. Het reisproduct wordt stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven."

4.2.

In geschil is de vastgestelde OV-schuld over de maand februari 2016 en de eerste helft van de maand maart 2016 tot een totaalbedrag van € 291,-. Niet in geschil is dat appellant in deze periode geen recht had op studiefinanciering en dus geen recht had op een studentenreisproduct.

4.3.1.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraken van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824 en 8 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3285) dat aan de situatie waarin een studerende beschikt over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct eerst een einde komt indien het reisrecht op de door de wetgever voorgeschreven wijze wordt beëindigd. De vanaf 1 december 2012 gewijzigde procedure met betrekking tot het beëindigen van het reisrecht doet aan het vorenstaande niet af. Ook in het vanaf 1 december 2012 geldende wettelijk systeem ligt besloten dat niet kan worden gesproken van het niet langer beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct op het moment dat de

OV-chipkaart, na melding van verlies of diefstal, is geblokkeerd bij het OV-bedrijf en er geen vervangende kaart is verstrekt.

4.3.2.

Gebleken is dat de vervoersbedrijven, voor bijzondere situaties, de mogelijkheid bieden bij hen een aanvraag stopzetten studentenreisproduct in te dienen. Indien deze aanvraag wordt gehonoreerd dan gaat de minister, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.2, tweede lid van de Rsf 2000, ervan uit dat het reisrecht is beëindigd. Ook in een dergelijk geval is met het enkel blokkeren van de OV-chipkaart het reisrecht niet beëindigd.

4.4.

Vast staat dat appellant het reisrecht niet op de door de wetgever voorgeschreven wijze heeft beëindigd. Appellant heeft na de melding van diefstal van zijn OV-chipkaart op 29 mei 2015 geen vervangende kaart aangevraagd waarmee hij het reisproduct bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven tijdig had kunnen en moeten stopzetten. Appellant heeft door gebruikmaking van de onder 4.4 beschreven mogelijkheid zijn reisrecht op 8 maart 2016 beëindigd.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat in de maand februari 2016 en de eerste helft van de maand maart 2016 voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000, resulterend in een OV-schuld van € 291,- over die periode.

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er niet sprake is van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan appellant kan worden toegerekend en evenmin sprake is van een situatie dat toepassing van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De (onjuiste) veronderstelling van appellant dat hij door het blokkeren van zijn OV-chipkaart en het niet aanvragen van een nieuwe OV-chipkaart tevens het reisrecht had beëindigd, komt voor zijn risico en rekening. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824) levert onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving geen overmachtssituatie op als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000. Bovendien is appellant omtrent de bij het studentenreisproduct geldende rechten en plichten voldoende geïnformeerd, onder meer door de beschikbare informatie op de website van de DUO en op www.studentenreisproduct.nl. Op deze laatste website is appellant ook gewezen in het besluit van 5 september 2015. De omstandigheid dat de Nationale Ombudsman in zijn rapport “een gewaarschuwd mens telt voor twee” van 28 maart 2017 heeft geconstateerd dat het systeem inzake het stopzetten van het reisproduct onlogisch is in de leefwereld van de (oud)student en bij hen tot veel verwarring en onbegrip leidt, is een signaal aan de wetgever het vorenbedoelde systeem van stopzetten nader te bezien, maar maakt niet dat om die reden voldaan is aan artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 dan wel dat artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 buiten toepassing had moeten worden gelaten.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) L. Boersma

IJ