Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
15-7104 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen niet gemeld bezit/eigendom appartementen in Turkije. Eigenaarschap aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7104 WWB

Datum uitspraak: 28 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2015, 15/1290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. Singh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. M. Raaijmakers heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 10 september 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant in de stad [naam stad] in Turkije appartementen zou bezitten, heeft de sociale recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) verzocht onderzoek te doen naar het bezit van onroerende zaken van appellanten in Turkije. Het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara heeft dit onderzoek in opdracht van het IBF uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 3 december 2012. Hieruit blijkt dat appellant bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [naam stad] in Turkije van 1 januari 1989 tot 23 maart 2012 stond geregistreerd als eigenaar van drie appartementen in [naam stad] . De appartementen zijn op 23 maart 2012 verkocht. De waarde van de appartementen ten tijde van de verkoop is door een taxateur vastgesteld op 200.000,- Turkse Lira, omgerekend € 83.344,18. Voorts blijkt uit het rapport dat twee van de drie appartementen werden verhuurd. Op 6 februari 2014 heeft de sociale recherche appellanten gehoord. De sociale recherche heeft de onderzoeksbevindingen neergelegd in een proces-verbaal van 24 april 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 17 juli 2014 (besluit 1) de bijstand van appellanten over de periode van 10 september 1999 tot 23 februari 2012 (periode in geding) te herzien.

1.4.

Bij besluit van 23 juli 2014 (besluit 2) heeft het college de over de periode van 10 september 1999 tot 23 februari 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 56.068,- van appellanten teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten over vermogen beschikten en hieruit inkomsten hebben ontvangen in de vorm van huurgelden. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college hebben zij hun inlichtingenverplichting geschonden en hebben zij te veel bijstand ontvangen. Het college heeft het bedrag van ten onrechte ontvangen bijstand schattenderwijs vastgesteld op € 56.068,-, zijnde 50% van de waarde van de appartementen en 50% van de inkomsten uit verhuur, uitgaande van inkomsten uit verhuur van € 169,60 per maand. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de appartementen aanvankelijk toebehoorden aan de vader van appellant, die ruim twintig jaar geleden is overleden en de appartementen aan appellant, zijn moeder, zijn twee broers en zijn zus heeft nagelaten. Nu de appartementen gswezamenlijk eigendom zijn van de erfgenamen, kon appellant hierover niet beschikken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de vraag of appellanten in de periode in geding over het in de appartementen gebonden vermogen konden beschikken.

4.2.

Vaststaat dat de onder 1.2 genoemde drie appartementen in Turkije in die periode alleen op naam van appellant stonden geregistreerd.

4.3.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat appellant niet de (volledige) beschikking had over de appartementen. De verklaringen van de moeder, twee broers en zus van appellant, dat de appartementen met hun toestemming in 1989 op naam van appellant waren geregistreerd om hoge kosten in de toekomst in verband met de verdeling onder de erven te voorkomen, zijn daartoe onvoldoende. Bovendien blijkt uit het feit dat appellant de appartementen op 23 maart 2012 heeft overgedragen, dat hij hierover heeft beschikt. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellanten in de periode in geding over het gehele in de appartementen gebonden vermogen konden beschikken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Tuit

HD