Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
16/4901 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Financiële situatie voorafgaand aan aanvraag onduidelijk. Onduidelijke verklaring over stortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4901 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 juni 2016, 15/5754 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)

Datum uitspraak: 12 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P. Oberman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingezonden en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oberman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. d’Accorso.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 23 januari 2015 op staande voet ontslagen door zijn werkgever. Bij

beschikking van 21 april 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2015 ontbonden. Op 25 april 2015 heeft appellant bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een WW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 4 mei 2015 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij niet eerder dan per 1 juli 2015 in aanmerking kan komen voor een WW-uitkering.

1.2.

Op 28 april 2015 heeft appellant zich gemeld bij het college voor het aanvragen van

bijstand. Bij brief van 4 juni 2015 heeft het college appellant verzocht om voor 12 juni 2015 een verklaring met bewijsstukken toe te zenden over drie stortingen, op 8 maart 2015,

11 maart 2015 en 10 april 2015 van in totaal € 4.400,- op zijn bankrekening. Bij ongedateerde brief, door het college ontvangen op 10 juni 2015, heeft appellant aangegeven dat hij de laatste zeven jaar werkzaam is geweest en wat geld opzij had gezet en dat de stortingen afkomstig zijn van zijn spaargeld.

1.3.

Bij besluit van 15 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen met bewijsstukken onderbouwde verklaring heeft gegeven voor de stortingen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant geen toereikende verklaring voor de onder 1.2 genoemde, ongespecificeerde stortingen heeft gegeven. Dat dit geld afkomstig is uit spaargeld dat appellant contant bewaarde is niet voldoende onderbouwd. Het enkele feit dat appellant in de periode van 1 juli 2014 tot en met 23 december 2014 van zijn eigen rekening een bedrag van in totaal € 3.220,- en op 1 februari 2015 een bedrag van

€ 1.000,- van de rekening van zijn moeder heeft opgenomen, acht de rechtbank daartoe niet voldoende. Met enkel een overzicht van de opnames en overboekingen heeft eiser onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële situatie.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de

aangevallen uitspraak gekeerd

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 28 april 2015, de datum van de melding, tot en met

15 juni 2015, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over (in dit geval) zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft.

4.3.

In hoger beroep ligt de vraag voor of appellant erin is geslaagd de benodigde duidelijkheid over zijn financiële situatie te scheppen. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat een rechtstreeks verband tussen de gedane opnames over de periode van 1 juli 2014 tot en met 23 december 2014 en op 1 februari 2015, zoals deze blijken uit de door appellant overgelegde bankgegevens, en de onder 1.2 genoemde stortingen ontbreekt. De bedragen komen niet overeen en er is een langere periode gelegen tussen de opnamen en de stortingen. De gevolgen van de omstandigheid dat appellant door het contant bewaren van spaargeld nu in bewijsnood verkeert, moeten voor zijn rekening en risico komen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Smolders

HD