Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
15/7804 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met niet gemelde gezamenlijke huishouding. Voldaan wederzijdse zorg in voldoende mate want gelijkwaardige zorg is niet vereist. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7804 PW, 16/1919 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 13 oktober 2015, 15/1705 (aangevallen uitspraak 1) en van 17 februari 2016, 15/3808 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) van de gemeente Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (het dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 12 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Namens appellante is verschenen mr. Van der Veen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 3 juni 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 januari 2015 betrof dit bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante stond, ten tijde van belang, in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [adres nr.] 159 te [woonplaats] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een anonieme tip van 26 april 2011, dat appellante mogelijk samenwoont met [S.] (S), hebben sociaal rechercheurs van de Unit Handhaving regio Assen van ISD onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellante. In het kader hiervan hebben de toezichthouders het verbruik van elektriciteit op zowel het uitkeringsadres als op het adres van S, [adres nr.] 169 te [woonplaats], over de periode van juni 2008 tot juni 2014 opgevraagd. Daarnaast hebben zij appellante en S, alsmede [T.], huismeester van de [flat], op 13 januari 2015 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 januari 2015.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 4 februari 2015 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2010 in te trekken. Bij besluit van 14 april 2015 (besluit 2) heeft het college de over de periode van 1 juli 2010 tot 1 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 59.804,33 van appellante teruggevorderd en van S mede teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 maart 2015 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur besluit 1 na bezwaar gehandhaafd. Bij besluit van 19 augustus 2015 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur besluit 2 na bezwaar gehandhaafd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante sinds 1 juli 2010, zonder daarvan melding te maken bij het dagelijks bestuur, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met S in de woning van S. Hierdoor had appellante geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het dagelijks bestuur heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juli 2010 tot en met 4 februari 2015 (te beoordelen periode).

4.2.

De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering - in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres [adres nr.] 169 te [woonplaats] - in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB en PW voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3.1.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB en PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.2.

Niet in geschil is dat appellante en S gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, te weten de woning van S, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.3.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.3.4.

In deze zaak is niet in geschil dat sprake is van zorg van appellante voor S. In geschil is of sprake is van wederzijdse zorg in die zin dat ook sprake is van zorg van S voor appellante. Appellante heeft aangevoerd dat slechts in zeer beperkte mate van (zorg)activiteiten van S voor appellante blijkt, zodat geen sprake is van wederzijdse zorg. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.5.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verklaringen van S en appellante, zoals neergelegd in de verslagen van de gehoren van 13 januari 2015, voldoende feitelijke grondslag vormen voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat sprake was van wederzijdse zorg. Uit die gehoren blijkt het volgende. Alhoewel appellante vaker kookt, kookt ook S voor appellante. S laat elke morgen Zorggroep Drenthe toe in zijn woning om bij appellante de steunkousen aan te trekken. Elke avond trekt S bij appellante haar steunkousen uit. De door appellante gekochte meubels voor haar woning op het uitkeringsadres, zijn door S in elkaar gezet. S staat toe dat appellante bezoek ontvangt in zijn woning. Appellante maakt voorts kosteloos gebruik van de internetaansluiting van S en haar computer mag in zijn woning staan. Als appellante en S samen ergens naar toe gaan, betaalt S. S heeft weleens geld op de rekening van appellante gestort. Het geld dat appellante moest betalen voor haar scootmobiel, € 150,-, heeft S voor haar betaald. Hieruit volgt dat S in de hier te beoordelen periode ook in voldoende mate blijk gaf van zorg voor appellante. Hierbij wordt aangetekend dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1187).

4.3.6.

Uit 4.3.5 volgt dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De door appellante in hoger beroep gestelde omstandigheid dat zij het van S ontvangen geld heeft terugbetaald, is voor de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het vereiste van de wederzijdse zorg niet van belang en leidt om die reden niet tot een andere conclusie.

4.3.7.

Uit 4.3 tot en met 4.3.6 volgt dat appellante en S in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB en de PW, zodat appellante over die periode niet kon worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en zij dan ook geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat dringende redenen bestaan om van terugvordering af te zien. Deze zijn volgens appellante gelegen in het feit dat het dagelijks bestuur na ontvangst van de anonieme tip lang heeft gewacht met het instellen van een onderzoek, waardoor het terugvorderingsbedrag voor appellante is opgelopen en strijd is ontstaan met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

4.4.1.

Op grond van artikel 58 van de PW is het dagelijks bestuur in beginsel gehouden de als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand van appellante terug te vorderen. Op grond van vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2046) kunnen dringende redenen, op grond waarvan het college met toepassing van artikel 58, achtste lid, van de PW kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.4.2.

In wat appellante heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur op grond van dringende redenen had dienen af te zien van terugvordering, alleen al omdat dit niet ziet op de (onaanvaardbare) consequenties van de terugvordering

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5733).

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) J.M.M. van Dalen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding en het begrip wederzijdse zorg.

HD