Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/2627 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1564, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. College mocht over periode meer dan 3 maanden voor melding financiële gegevens vragen. Aanvraag na beëindiging eenmanszaak. Geen inkomsten en geen schulden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2627 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 maart 2016, 15/6650 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak: 5 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Voor appellanten is verschenen mr. Ergec. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben zich op 3 december 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet en op 6 februari 2015 de aanvraag ingediend. Bij de aanvraag hebben appellanten vermeld dat zij sinds de beëindiging van de eenmanszaak van appellant - op 23 maart 2012 - hebben geleefd van spaargeld.

1.2.

In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand heeft het college appellanten bij brief van 24 februari 2015 verzocht kopieën van de dagafschriften van alle

giro-/bankrekeningen en spaarrekeningen van appellanten en van hun kinderen over de periode van januari 2014 tot de datum van de brief te verstrekken.

1.3.

Op 18 maart 2015 hebben medewerkers van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal een gesprek gevoerd met appellanten. Tijdens dit gesprek hebben appellanten een nadere toelichting gegeven over de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag in de kosten van levensonderhoud hebben voorzien. Uit het verslag van dit gesprek komt onder meer naar voren dat appellanten hebben geleefd van gelden van de Belastingdienst, spaargeld uit het bedrijf (ongeveer € 7.000,-) en van spaargeld van de kinderen (ongeveer € 9.000,-). Daarnaast hebben zij een bedrag van € 3.000,- van de zus van appellant geleend. Dit bedrag hebben zij in 2014 contant in gedeeltes ontvangen. Voorts betaalde de zus rekeningen voor appellanten. Van de vader van appellant hebben zij in de periode van 2013 tot maart 2015 in totaal € 1.500,- aan contanten als lening ontvangen. Met betrekking tot de stortingen op hun bankrekening hebben appellanten verklaard dat deze gelden afkomstig zijn van de leningen van de vader en zus.

1.4.

Bij brief van 19 maart 2015 heeft het college appellanten in de gelegenheid gesteld de op 18 maart 2015 afgelegde verklaring te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Appellanten hebben bij brief van 30 maart 2015 enkele stukken ingediend.

1.5.

Bij besluit van 22 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Hieraan heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt over hun financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 6 februari 2015 tot en met 22 mei 2015.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. In het kader van het onderzoek, als onder 4.2 bedoeld, is het bijstandverlenend orgaan in beginsel gerechtigd ook gegevens te vragen die betrekking hebben op de situatie die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand worden gevraagd.

4.4.

.4. Appellanten hebben aangevoerd dat het college niet over een periode van drie jaar in het verleden inzage hun financiële positie mocht verlangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval - in eerste instantie - aanleiding bestond om gegevens te vragen over de periode vanaf 1 januari 2014. Appellanten hebben sinds de beëindiging van de eenmanszaak geen inkomsten gehad en hebben bij hun aanvraag geen melding gemaakt van schulden, zodat inzicht diende te worden verkregen in de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag in hun levensonderhoud hebben voorzien. Op basis van de op 18 maart 2015 door appellanten afgelegde verklaring, zoals onder 1.3 weergegeven, bestond voor het college een gegronde reden voor het instellen van een onderzoek, waarbij appellanten in de gelegenheid zijn gesteld hun verklaring te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Anders dan appellanten hebben aangevoerd heeft het college niet om gegevens verzocht tot drie jaren voor de aanvraag. In de brief van

19 maart 2015 heeft het college verzocht om gegevens over het spaartegoed van de kinderen en daarbij vermeld dat appellanten hun standpunt bijvoorbeeld kunnen onderbouwen door bankafschriften van de kinderen te verstrekken vanaf 1 januari 2012. Het college heeft daarmee te kennen gegeven op welke wijze duidelijkheid over dit spaartegoed zou kunnen worden gegeven. Zoals uit 4.2 volgt dienen appellanten de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die tot inwilliging van de aanvraag nopen en zijn appellanten, voor zover het betreft het spaartegoed van de kinderen, vrij om ook op andere wijze dan door het college is vermeld inzicht te geven hoe zij van het spaargeld van de kinderen hebben geleefd.

4.5.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij voldoende inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan hebben voorzien. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.5.1.

Appellanten hebben tijdens het gesprek op 18 maart 2015 verklaard dat zij na de beëindiging van de eenmanszaak, naast van de Belastingdienst ontvangen gelden, hebben geleefd van het spaargeld uit de eenmanszaak van appellant en het spaargeld van de kinderen. Appellanten hebben echter nagelaten verifieerbare gegevens te verstrekken over het spaargeld uit de eenmanszaak van appellant. Evenmin hebben appellanten inzichtelijk gemaakt hoe zij hebben ingeteerd op het spaargeld van de kinderen.

4.5.2.

Appellanten hebben voorts verklaard dat zij vanaf 2013 in totaal € 4.500,- contant geld hebben geleend van de vader en zus van appellant, dat zij deze gelden deels hebben aangewend voor het betalen van rekeningen en het doen van boodschappen en deels hebben gestort op hun bankrekening. Appellanten hebben deze verklaring niet aan de hand van objectieve gegevens onderbouwd. De enkele verklaring van de zus, gedateerd 12 februari 2015, dat de familie op dit moment bijspringt is hiertoe niet toereikend. Deze verklaring bevat geen data of bedragen en wordt ook niet ondersteund met nadere bewijzen. Evenmin is gebleken van een verband tussen de hoogte van de door appellanten gestelde leningen en de omvang van kasstortingen op de bankrekening van appellanten.

4.6.

Uit 4.5 tot en met 4.5.2 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over hun financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag, zodat niet is vast te stellen of zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.7.

De enkele omstandigheid dat aan appellanten bij besluit van 20 juli 2015 met ingang van 23 juni 2015 bijstand is toegekend, omdat, zoals het college heeft toegelicht, appellanten vanwege het tijdsverloop het voordeel van de twijfel is gegeven, maakt niet dat appellanten ook in de hier te beoordelen periode recht op bijstand hadden.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.9.

Gelet op 4.8 bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en E.W. Akkerman en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) A.M. Pasmans

HD