Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
16-5379 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5037, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank en het bestuur, en anders dan appellant, van oordeel dat de taken en bevoegdheden in de functie van appellant voldoende duidelijk waren. De onder 4.3 genoemde gedragingen zijn terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Toerekenbaar. Opgelegde maatregel is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/834
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5379 AW

Datum uitspraak: 7 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2016, 15/4908 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. S. Ideler-Ouwens, advocaat, een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kamerling. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Ideler-Ouwens, S.M. Boxem, drs. W.C.M. Kokx en S. Presentacion.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf februari 2009 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van de) [Stichting] als [functie] , eerst op [Naam school] en vanaf augustus 2012 op [naam school] .

1.2.

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het bestuur appellant een schriftelijke waarschuwing gegeven, onder andere omdat appellant op 26 maart 2012, nadat hij had gezien dat een leerling net buiten het schoolplein met een vlindermes liep, in strijd met het beleid van de school zonder enig overleg met de schoolleiding direct de politie had gebeld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 23 mei 2013 is appellant de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd in verband met het verstrekken van vertrouwelijke en onjuiste informatie aan externe officiële instanties. Dit besluit staat in rechte vast.

1.4.

Bij besluit van 2 juli 2013 is appellant de disciplinaire straf van inhouding van 50% van één maandsalaris opgelegd vanwege het openbaar maken van zeer vertrouwelijke informatie door beelden van inbrekers op school op Facebook te plaatsen. Daarbij is appellant erop gewezen dat bij een volgend plichtsverzuim overgegaan zal worden tot disciplinair ontslag. Ook dit besluit staat in rechte vast.

1.5.

Op 18 december 2014 heeft de vader van een leerling een jas aan appellant gegeven, die zijn zoon per ongeluk had meegenomen. In die jas zat onder andere een boksbeugel en een mes. De vader was niet bereid met de directie hierover te praten. Vervolgens heeft appellant leerling [X] van wie de jas was, uit de klas gehaald, hem geconfronteerd met de voorwerpen en hem meegedeeld dat er nog verdere stappen zouden worden ondernomen. Appellant heeft de wapens mee naar huis genomen en deze in de kluis van een buurman gelegd. ’s Avonds was appellant op school in verband met de eindejaarsmaaltijd en -disco. In de nacht van 18 op

19 december 2014 heeft appellant rond 01.00 uur de schooldirecteur over het incident verteld. Tijdens de kerstvakantie hebben de wapens in zijn eigen kluis gelegen en heeft hij contact opgenomen met de vader die de jas gebracht had.

1.6.

Begin januari 2015 heeft appellant contact opgenomen met een ouder van een leerling naar aanleiding van een pestgeval, terwijl de teamleider en de mentor van de betreffende leerling hiervan niet op de hoogte waren en appellant hiervoor geen toestemming hadden verleend.

1.7.

Bij besluit van 22 januari 2015 is appellant de toegang tot de terreinen en gebouwen van de school ontzegd. Bij besluit van 25 februari 2015 is appellant met onmiddellijke ingang geschorst.

1.8.

Na het voornemen daartoe waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, is appellant bij besluit van 25 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit), met ingang van 1 maart 2015 primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met toepassing van artikel 10.b.3, aanhef en onder 11, juncto artikel 10.b.7, derde lid, aanhef en onder c, van de CAO Voortgezet Onderwijs 2014/2015 (CAO VO). Subsidiair is appellant ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van [functie] aan een school voor voortgezet onderwijs binnen de [Stichting] op grond van artikel 10.b.3, aanhef en zevende lid, van de CAO VO. Meer subsidiair is appellant ontslag verleend op grond van redenen van gewichtige aard, namelijk een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, op grond van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van

de CAO VO.

1.9.

Het bestuur heeft de volgende gedragingen aangemerkt als plichtsverzuim en aan het disciplinair ontslag ten grondslag gelegd:

1. appellant heeft op 18 december 2014 wederom eigenhandig gehandeld door niet een leidinggevende in te schakelen voor de afwikkeling van de teruggegeven jas met wapens erin, maar zelf de kwestie met de vader af te handelen, leerling [X] aan te spreken op het bezit van wapens en de wapens mee naar huis te nemen en pas in de nacht van 18 op 19 december 2014 rond 01.00 uur, tijdens het schoolfeest, de schooldirecteur over het voorval in te lichten. Tevens verwijt het bestuur appellant dat hij in de kerstvakantie buiten zijn bevoegdheden om telefonisch contact heeft opgenomen met de vader;

2. appellant heeft op 6 januari 2015 uit eigen beweging buiten zijn bevoegdheden om contact opgenomen met een ouder van leerling [Y] naar aanleiding van een pestgeval. De teamleider en de mentor van de betreffende leerling waren hiervan niet op de hoogte en hadden appellant hiervoor ook geen toestemming verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het disciplinaire ontslag van appellant standhoudt, is de rechtbank niet meer toegekomen aan een beoordeling van de subsidiaire ontslaggronden.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

De Raad is met de rechtbank en het bestuur, en anders dan appellant, van oordeel dat de taken en bevoegdheden in de functie van appellant voldoende duidelijk waren. In de functiebeschrijving van [functionaris] is vermeld dat een [functionaris] optreedt bij conflicterend gedrag van leerlingen door het ingrijpen bij conflictsituaties tussen leerlingen conform vooraf gemaakte afspraken. Met appellant zijn nadere afspraken gemaakt waarin hem de grenzen van zijn functie duidelijk zijn gemaakt. Zo is in het verslag van 5 april 2013 van een gesprek tussen de schooldirecteur met appellant vermeld dat hij zich niet met andere zaken mag bemoeien dan zijn werkzaamheden op [zijn functiegebied] . Met hem is de afspraak gemaakt dat de opdracht tot het voeren van telefoongesprekken over problemen met leerlingen alleen door de schooldirecteur gegeven mag worden. Verder is in het verslag van een op 19 januari 2015 gehouden Overleg Onderwijs Ondersteunend Personeel, waar appellant ook bij aanwezig was, het volgende opgenomen: “De afspraken met betrekking tot de taak van de [functionaris] op [naam school] worden nogmaals herhaald. Deze waren al bekend bij alle [functionaris] (...). De [functionaris] overlegt altijd met de teamleider(s) (...). De [functionaris] straft de leerling niet zelf. Dit gebeurt altijd met medeweten van de teamleider (...). De [functionaris] neemt zelf geen contact op met ouders. Dit gebeurt door de teamleider, een docent/mentor of de administratie.” Appellant heeft deze (eerder gemaakte) afspraken niet betwist. Daarnaast is hij met de schriftelijke waarschuwing van 3 april 2012 erop gewezen dat het beleid op school is dat altijd eerst overleg dient plaats te vinden, tenzij sprake is van direct gevaar.

4.3.

Vaststaat dat appellant op 18 december 2014 niet direct een leidinggevende heeft geïnformeerd over de jas met de daarin aangetroffen wapens en zelf actie heeft ondernomen. Appellant heeft de schooldirecteur pas ’s nachts ingelicht, terwijl er overdag voldoende teamleiders en de schooldirecteur op school aanwezig waren. Hij had moeten weten dat het incident op 18 december 2014 zo ernstig was dat direct overleg nodig was. Verder had hij leerling T niet zonder voorafgaande toestemming van de schoolleiding mogen aanspreken op het bezit van wapens op school en had hij de wapens niet mee naar huis mogen nemen. Appellant heeft verder in strijd met de onder 4.2 vermelde afspraken gehandeld door zonder toestemming in de kerstvakantie contact op te nemen met de betreffende vader. Temeer nu de schooldirecteur hem in de nacht van 18 op 19 december 2014 had meegedeeld dat het haar taak was om deze vader te bellen, hem te bedanken en gerust te stellen voor de vakantie.

Verder had appellant op 6 januari 2015 niet op eigen initiatief contact mogen opnemen met een ouder van leerling [Y] , maar had hij de inhoudelijke afwikkeling van dit geval moeten overlaten aan de teamleider of mentor.

4.4.

Het bestuur heeft de onder 4.3 genoemde gedragingen terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Nu niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, was het bestuur bevoegd hem daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.5.

De opgelegde maatregel is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt ook mee dat appellant als een gewaarschuwd man gold. Appellant was al meerdere malen door middel van disciplinaire maatregelen en verschillende gesprekken gewezen op de grenzen van zijn functie en zijn ontoelaatbare gedrag. Op 2 juli 2013 heeft het bestuur appellant erop geattendeerd dat bij een volgend plichtsverzuim disciplinair ontslag zou volgen. Dat appellant, zoals gesteld, steeds naar eer en geweten heeft gehandeld, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.6.

Nu de primaire ontslaggrond het ontslag kan dragen, komt de Raad niet toe aan de subsidiaire en meer subsidiaire ontslaggronden.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD