Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
15-6763 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6224, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting. voeren gezamenlijke huishouding. Redelijke grond voor huisbezoek. Niet voldaan aan informed consent. Geen onrechtmatig huisbezoek omdat gegeven toestemming alleen zag op gesprek voeren. Niet meewerken huisbezoek leidt tot intrekking. Opgelegde boete moet nader worden vastgesteld a.d.h.v. nader berekende terugvordering uitgaande van normale verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/87
JWWB 2018/12
JBP 2018/10
USZ 2018/46
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6763 WWB, 15/6764 WWB en 15/6765 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 augustus 2015, 14/8775, 14/8776 en 14/8777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

Datum uitspraak: 5 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Thelosen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 januari 2017 heeft mr. P.A.J. van Putten, kantoorgenoot van mr. Thelosen, zich als nieuwe gemachtigde van appellante gesteld.

Appellante en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Appellante, daartoe opgeroepen, is, met bericht, niet verschenen. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel. Mr. Van Putten heeft vlak voor aanvang van de zitting te kennen gegeven dat hij wegens ziekte verhinderd is ter zitting te verschijnen. De behandeling is niet uitgesteld, doch de Raad heeft wel aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen en appellante in de gelegenheid te stellen te reageren op het haar toegezonden proces-verbaal van de zitting. Van deze gelegenheid heeft appellante gebruik gemaakt.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 2 mei 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Bij haar aanvraag heeft appellante verklaard dat zij op 15 april 2013 is verlaten door haar vriend [naam vriend] (J), de vader van haar twee minderjarige kinderen, en dat zij niet weet waar J op dit moment verblijft. Appellante staat sinds 4 juli 2013 ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres). De huurovereenkomst van deze woning staat zowel op naam van appellante als op naam van J. J is volgens de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) op 19 juni 2013 uitgeschreven op het uitkeringsadres. Op 30 april 2014 heeft J op een inlichtingenformulier vermeld dat hij op het adres [adres] te [plaatsnaam 2] woonachtig is.

1.2.

In verband met een verhaalsonderzoek naar de onderhoudsplicht van J heeft de werkgever van J op 17 september 2013 op een inlichtingenformulier vermeld dat J woonachtig is op het uitkeringsadres. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche van de gemeente Schiedam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, bankafschriften opgevraagd, informatie ingewonnen bij het waterbedrijf, waarnemingen verricht en de Facebookpagina’s van appellante en J bekeken. Verder hebben de sociaal rechercheurs appellante op 5 juni 2014 gehoord en hebben zij op 11 juni 2014 getracht een huisbezoek aan het uitkeringsadres af te leggen. Appellante heeft op dat moment te kennen gegeven dat zij niet wenst mee te werken aan een huisbezoek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juni 2014.

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2014 ( besluit 1) heeft het college de bijstand met ingang van

11 juni 2014 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante, door niet mee te werken aan het huisbezoek op 11 juni 2014, niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17, tweede lid, van de WWB op haar rustende medewerkingsverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 24 juni 2014 ( besluit 2) heeft het college de bijstand over de periode

2 mei 2013 tot en met 31 mei 2014 ingetrokken op de grond dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent haar woon- en leefsituatie en dat als gevolg van de schending van de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op appellante rustende inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij hetzelfde besluit heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 2 mei 2013 tot en met 31 mei 2014 tot een bedrag van € 16.654,25 van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 1 juli 2014 (besluit 3) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 13.838,66, zijnde 100% van het netto benadelingsbedrag. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat sprake is van opzet.

1.6.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 31 oktober 2014 (bestreden besluiten 1, 2 en 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking met ingang van 11 juni 2014

4.1.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op 11 juni 2014. Het college heeft op 24 oktober 2013 een melding ontvangen dat het adres dat J bij zijn werkgever had opgegeven hetzelfde adres was als dat van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche nader onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. Bij raadpleging van de Facebookpagina’s van appellante en J hebben de sociaal rechercheurs geconstateerd dat zij zich profileren als elkaars partner en als een gezin met twee kinderen. Uit de pinactiviteiten van J in de periode van 3 april 2013 tot en met 23 mei 2014 is gebleken dat deze activiteiten voornamelijk in [plaatsnaam 1] hebben plaatsgevonden, terwijl J heeft gesteld dat hij in [plaatsnaam 2] woont. Verder hebben de sociaal rechercheurs tijdens waarnemingen in de omgeving van het uitkeringsadres vastgesteld dat de auto van J vanaf 18 mei 2014 veelvuldig, ook vroeg in de ochtend, in de nabijheid van het uitkeringsadres stond geparkeerd. Ook hebben zij vastgesteld dat het waterverbruik op het uitkeringsadres ver boven het gemiddeld verbruik van een vierpersoonshuishouden lag. Gelet hierop kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte inlichtingen over haar woon- en leefsituatie.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat bij het huisbezoek niet is voldaan aan de eis van ‘informed consent’. Dat standpunt is juist. Vaststaat dat de rapporteurs appellante pas volledig op de hoogte hebben gesteld van de reden en het doel van het huisbezoek nadat zij met toestemming van appellante de woning binnen waren getreden. Dit leidt in dit specifieke geval, anders dan appellante heeft betoogd, echter niet tot schending van het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij is van belang dat appellante wist dat de rapporteurs van de sociale dienst waren, dat zij desondanks toestemming heeft gegeven om de woning binnen te treden en dat deze toestemming uitsluitend erop zag om daar verder te praten. Dit blijkt ook uit het feit dat appellante vervolgens, nadat de rapporteurs haar binnen in de woonkamer hadden geïnformeerd over het doel van het huisbezoek, de toestemming daartoe heeft geweigerd. Verder is van belang dat de rapporteurs geen verslag hebben gedaan van wat ze hebben waargenomen tijdens het binnentreden tot aan het moment waarop zij het huis op verzoek van appellante hebben verlaten. Van onrechtmatig overheidshandelen is daarom geen sprake.

4.4.

Onder de gegeven omstandigheden heeft het college van appellante kunnen verlangen dat zij medewerking verleende aan het huisbezoek. Door niet mee te werken aan het huisbezoek heeft appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB geschonden. Als gevolg hiervan heeft het college het recht op bijstand van appellante niet kunnen vaststellen. Het college was dan ook bevoegd de bijstand met ingang van 11 juni 2014 in te trekken. Niet is gebleken dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

Intrekking over de periode van 2 mei 2013 tot en met 31 mei 2014

4.5.

Ter zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat het college aan de besluitvorming tot intrekking van de bijstand ten grondslag heeft gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met J op het uitkeringsadres. Appellante kan om die reden niet worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand.

4.6.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en ze blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.7.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en J twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en J hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.8.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.9.

De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante reeds vanaf 2 mei 2013 een gezamenlijke huishouding voerde met J. De verklaring van appellante biedt daarvoor geen aanknopingspunten en J is niet gehoord. Feitelijke gegevens over de aanwezigheid van persoonlijke eigendommen van J in de woning van appellante zijn niet voorhanden. Tijdens een in september 2013 door de gemeente [plaatsnaam 1] uitgevoerd huisbezoek bij appellante zijn geen spullen van J aangetroffen. In ieder geval tot aan het moment van de nabij het uitkeringsadres verrichte waarnemingen is de feitelijke aanwezigheid van J aldaar niet vastgesteld. De door het college aan zijn conclusie ten grondslag gelegde onderzoeksbevindingen, te weten het pingedrag van J dat hoofdzakelijk plaatsvond in [plaatsnaam 1] , het waterverbruik op het uitkeringsadres dat hoger lag dan het gemiddeld waterverbruik van een vierpersoonshuishouden, de verklaring van de werkgever van J dat J stond ingeschreven op het adres van appellante en een kredietaanvraag van J van 17 december 2013 op het uitkeringsadres, zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen dat J vanaf 2 mei 2013 feitelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eerst op basis van de vanaf 14 mei 2014 door de sociaal rechercheurs verrichte waarnemingen bij het uitkeringsadres, waarbij zij veelvuldig, in de avond en ook vroeg in de ochtend, de auto van J in de nabijheid van de woning van appellante aantroffen, is aannemelijk geworden dat J zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De hiervoor genoemde andere onderzoeksbevindingen vormen daarvoor ondersteunend bewijs.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat niet al per 2 mei 2013, maar pas vanaf 14 mei 2014 kan worden vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en J, zodat geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 2 mei 2013 tot en met 13 mei 2014. Door niet te melden dat zij gedurende de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 een gezamenlijke huishouding voerde met J, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellante was gedurende die periode niet aan te merken als zelfstandig subject van bijstand.

4.11.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 2 mei 2013 tot en met 13 mei 2014. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit 2 tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding besluit 2 te herroepen, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 2 mei 2013 tot en met 13 mei 2014, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluit 2 en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.12.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Mede in aanmerking genomen dat de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van cassatie, bestaat aanleiding het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen besluit 2.

Boete

4.13.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, de tekst van artikel 18a van de Participatiewet en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.14.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met J. Gelet hierop is het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

4.15.

Nu de periode waarover de gemaakte kosten van bijstand van appellante kunnen worden teruggevorderd, is beperkt tot de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014, zal ook het benadelingsbedrag in het kader van de boete opnieuw moeten worden bepaald. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad zal het college daarom opdragen de hoogte van de boete opnieuw vast te stellen. Met het oog daarop wordt nog het volgende overwogen.

4.16.

Uit de in 4.13 vermelde rechtspraak volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij ‘gewone’ verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.17.

Het college heeft zich in bestreden besluit 3 en ter zitting op het standpunt gesteld dat in het geval van appellante sprake is van opzet, wat een boete van 100% van het benadelingsbedrag rechtvaardigt. Het college heeft in dat kader overwogen dat appellante met de verklaring van 5 juni 2014 dat zij geen contact meer heeft met J, dat hij één keer per week langskomt voor zijn oudste zoon en met zijn jongste zoon geen contact heeft, bewust een verkeerd beeld van de werkelijkheid geschetst. Wel heeft het college de bereidheid uitgesproken de boete te verlagen tot een bedrag van € 2.360,-. Het college heeft daarbij rekening gehouden met een termijn van 24 maanden waarin appellante uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau de boete moet kunnen voldoen.

4.18.

Naar het oordeel van de Raad heeft het college niet aangetoond dat in het geval van appellante sprake was van opzet. Ook ziet de Raad geen grond voor het aannemen van grove schuld. Opzet en grove schuld zijn verzwarende omstandigheden. De enkele, onder 4.17 genoemde, verklaring van appellante is daartoe onvoldoende. Er zijn geen andere feiten naar voren gekomen om een verzwaring van de verwijtbaarheid aan te kunnen nemen. Gelet hierop bestaat er geen rechtvaardiging voor een afwijking naar boven van het percentage van 50% van het benadelingsbedrag dat geldt in het geval van een normale verwijtbaarheid.

4.19.

Omdat een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt, rekening moet houden met de draagkracht van de overtreder en daarbij acht moet slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete (vergelijk de uitspraak van

11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10), behoeft wat is aangevoerd met betrekking tot de draagkracht hier geen bespreking. Het college moet bij het nieuw te nemen besluit rekening houden met de financiële situatie van appellante ten tijde van dat te nemen besluit en niet met haar financiële situatie ten tijde van het hoger beroep.

4.20.

Het beroep van appellante op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van

18 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:105). Nu het nog gaat om een door het bestuursorgaan vast te stellen boete van hoogstens 50% van een nader te bepalen benadelingsbedrag over de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 waarbij het college rekening dient te houden met de financiële situatie ten tijde van dat te nemen besluit, valt niet in te zien dat door het boetebesluit de belangen van het kind veronachtzaamd worden.

Slotoverwegingen

4.21.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.22.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 495,- in bezwaar, € 1.485,- in beroep en € 495,- in hoger beroep, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op bestreden besluit 1;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover

het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 2 mei 2013 tot en met 13 mei

2014 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 24 juni 2014, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand

over de periode van 2 mei 2013 tot en met 13 mei 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

bestreden besluit 2;

- draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar

te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt het college op met betrekking tot de boete een nieuwe beslissing op bezwaar te

nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts

bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het college het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-Bekkum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD