Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
16/434 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspositie staat in rechte vast. Uitgangspunt matching in vaste rechtspraak. De keuze voor domein Ondersteuning is voldoende gemotiveerd. Beroep van appellant op gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/434 AW

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

9 december 2015, 14/3303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F. Adolf hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adolf. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. de Kruijf-Stellaard en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

Appellant was tot de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) werkzaam als interregionaal projectleider / programmamanager, gewaardeerd in salarisschaal 11, bij de divisie [naam divisie] van de voormalige politieregio [naam regio a].

1.3.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP is vastgesteld op de functie van Projectleider C. Nadat het bezwaar tegen het besluit tot vaststelling van de uitgangspositie bij besluit van 8 november 2012 ongegrond was verklaard, heeft appellant tegen de uitgangspositie verder geen rechtsmiddelen aangewend. De uitgangspositie staat daarom in rechte vast.

1.4.

Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant gelegenheid te hebben geboden daarover zijn bedenkingen kenbaar te maken, heeft de korpschef op 16 december 2013 ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist C, gewaardeerd in salarisschaal 11 (overgangsbesluit).

1.5.

Bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen het overgangsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de korpschef had moeten besluiten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Operationeel Specialist D of C in het domein Uitvoering. Daartoe heeft appellant verwezen naar de feitelijk verrichte werkzaamheden en betoogd dat hij een operationele strategische politietaak vervult binnen de [naam divisie], dat hij als operationeel specialist wel degelijk werkzaam is in de uitvoeringspraktijk van de [naam divisie] en dat hij in zijn functie heeft te maken met niet eerder verkende problematiek, zodat D gerechtvaardigd is. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar een brief van zijn leidinggevende [naam leidinggevende] van 2 juli 2012. Verder heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant naar voren heeft gebracht over de feitelijk verrichte werkzaamheden in de functie van interregionaal projectleider / programmamanager bij de divisie [naam divisie] van het voormalige korps [naam regio a] en hetgeen zijn leidinggevende [naam leidinggevende] hierover heeft geschreven, betreft in de kern de uitgangspositie van appellant. Zoals de Raad in de in 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft overwogen, kan de politieambtenaar zich in een procedure over de matching niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen. Indien appellant zich niet kon vinden in zijn uitgangspositie, had het op zijn weg gelegen om beroep in te stellen tegen het besluit van 8 november 2012 waarbij de korpschef het bezwaar tegen de vaststelling van zijn uitgangspositie ongegrond heeft verklaard. Nu appellant dat niet heeft gedaan, staat de uitgangspositie van Projectleider C in rechte vast. Deze kan daarom in dit hoger beroep niet meer aan de orde worden gesteld. Hetzelfde geldt voor het besluit van

27 maart 2012 over het ontbreken van taakaccenten, waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

4.2.

In de in 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft de Raad overwogen dat het uitgangspunt bij de matching steeds de formele korpsfunctiebeschrijving is geweest. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving - in het geval van appellant van Projectleider C - is bepalend voor de indeling in domein, vakgebied en functie. Dit is conform het bepaalde in artikel 3 van de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling.

4.3.

De functie van Projectleider C kenmerkt zich blijkens de korpsfunctiebeschrijving door het verrichten van werkzaamheden ten aanzien van complexe projecten en programma’s, zoals leiden van een project, opstellen van een projectplan, plannen, organiseren en evalueren van de werkzaamheden, bewaken van de kwaliteit van het project, zorgdragen voor de implementatie van ontwikkelde producten en diensten en verantwoording afleggen over het resultaat. De functie heeft aldus een overwegend ondersteunend karakter; van (een directe bijdrage aan) operationele politietaken en een rechtstreeks verband met de handhaving van de rechtsorde geeft de functiebeschrijving geen blijk. Voor zover de feitelijke situatie zou afwijken van de beschrijving van de korpsfunctie, geldt dat de formele functiebeschrijving leidend is bij de matching en dat het voor rekening en risico van appellant komt dat hij heeft berust in het besluit tot vaststelling van zijn uitgangspositie.

4.4.

In het van de stukken deel uitmakende functievergelijkingsformulier is in lijn met Deel III ‘Specifieke functiegroepen’, onderdeel C, onder 18, van de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) vermeld dat bij de matching van de functie Projectleider C voor het domein Ondersteuning is gekozen omdat uit de korpsfunctiebeschrijving blijkt dat een bijdrage wordt geleverd aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd uit de korpsfunctiebeschrijving blijkt dat geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken en daarmee niet in rechtstreeks of onvoldoende verband staat met de handhaving van de rechtsorde.

4.5.

Gelet op de korpsfunctiebeschrijving, de toelichting in de Handleiding alsmede de

- summiere - motivering in het functievergelijkingsformulier, acht de Raad de keuze voor het domein Ondersteuning voldoende gemotiveerd. Het betoog van appellant slaagt dus niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling en de bijbehorende transponeringstabel is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent. De enkele stelling dat een andere uitkomst, zijnde de door appellant gewenste indeling in het domein Uitvoering, ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. De Raad verwijst in dit verband mede naar zijn uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:745.

4.6.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De korpschef heeft gemotiveerd betoogd dat de situatie van de door appellant genoemde collega’s, op de rechtens relevante aspecten, niet gelijk is aan die van appellant. Zoals appellant ter zitting van de Raad ook heeft erkend, had een aantal genoemde collega’s niet dezelfde uitgangspositie als hij. De andere genoemde collega’s, die wel dezelfde uitgangspositie hadden als appellant, zijn volgens de korpschef - net als appellant - niet gematcht met de functie van operationeel specialist C of D maar pas na de matching op basis van een plaatsingsbesluit in die functies aangesteld. Appellant heeft dit niet weersproken.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD