Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
14/5359 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de gba stond ingeschreven, en het vereiste bewijs evenmin is geleverd met de verklaring, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Herroept de besluiten van 16 november 2012 en 20 december 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 mei 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5359 WSF

Datum uitspraak: 6 december 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2014, 13/1133 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad heeft de minister nadere gegevens verstrekt.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellante stond vanaf 7 maart 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) onder het adres [adres] te [woonplaats] .

1.1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 16 maart 2012 met ingang van 1 april 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 23 oktober 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gba stond ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Van het onderzoek is op 26 oktober 2012 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoonster gevoegd. Als conclusie is vermeld dat appellante niet op haar gba-adres woont.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport, bij besluit van 16 november 2012 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 april 2012 herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van april 2012 tot en met oktober 2012 te veel betaalde bedrag van € 1.333,78 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Voorts heeft de minister bij besluit van 20 december 2012 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 666,89.

1.5.

De minister heeft het tegen de besluiten van 16 november 2012 en 20 december 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 2 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank nooit heeft ontvangen en dat zij daarom niet bij die zitting aanwezig is geweest. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat er, anders dan de minister heeft aangenomen, op het gba-adres nog wel spullen van haar lagen, zij het niet veel, omdat het om een tijdelijk verblijf ging, appellante ten tijde van de controle voor een vakantie in België verbleef en zij op het punt stond om te verhuizen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening en boete gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellante. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs van wie er één ten tijde hier van belang werkzaam was bij [naam organisatie] . Deze controleur was op dat moment krachtens een aanwijzingsbesluit belast met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. De andere controleur heeft het onderzoek verricht als zelfstandige zonder personeel (zzp’er).

4.2.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan. In zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943, heeft de Raad geoordeeld dat alleen die personen die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van een (door de staatssecretaris dan wel door de minister) aangewezen partij bevoegd zijn tot het houden van dit toezicht. Zoals is overwogen in − onder meer − de uitspraak van de Raad van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186, kan niet worden aanvaard dat dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) wordt uitbesteed aan een derde. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn dan ook onrechtmatig verkregen. Dit betekent dat de bevindingen van het onderzoek, zoals die zijn neergelegd in het rapport van 26 oktober 2012, als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.3.

De minister heeft in hoger beroep de door appellante in bezwaar en beroep gegeven verklaring aangemerkt als erkenning van appellante dat zij niet woonde op haar gba-adres, en die erkenning aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Nog afgezien van de vraag of een in bezwaar en/of beroep afgelegde verklaring na confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs (zonder meer) als bewijsmiddel kan worden gebruikt, is van een verklaring inhoudende een erkenning door appellante dat zij ten tijde van de controle niet op het gba-adres woonde, geen sprake. De door appellante in bezwaar en beroep gegeven verklaringen bevatten zowel een weerspreking van hetgeen bij de onrechtmatige controle is aangetroffen als van de door de controleurs getrokken conclusies. De omstandigheid dat de minister deze weerspreking niet overtuigend acht – wat daar verder van zij – betekent niet dat hij de verklaring wel als erkenning als hiervoor bedoeld mag beschouwen.

4.4.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij in de gba stond ingeschreven, en het vereiste bewijs evenmin is geleverd met de onder 4.3 genoemde verklaring, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

4.5.

De beroepsgrond dat appellante de zitting van de rechtbank niet heeft kunnen bijwonen, omdat zij daarvoor niet was uitgenodigd, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

4.6.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 16 november 2012 en 20 december 2012 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 2 mei 2013;

  • -

    herroept de besluiten van 16 november 2012 en 20 december 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 mei 2013;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 166,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IvR