Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
17/4633 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan voor de periode maart 2016 tot en met juli 2016. Het gegeven dat de mentrix, zoals zij in haar in beroep overgelegde nadere verklaring stelt, appellant al sinds geruime tijd regelmatig tegenkwam in de buurt van het brp-adres levert op zichzelf bezien, maar ook in samenhang met de overige bewijsmiddelen, geen afdoende bewijs van bewoning op het brp-adres in (een deel van) die periode op. Hetzelfde geldt voor de overgelegde nota van de aankoop op 29 april 2016 van een rolgordijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4633 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 mei 2017, 16/10319 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 6 december 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant staat vanaf 1 oktober 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] te [woonplaats] . Onder dat adres staan tevens de grootouders van appellant ingeschreven.

1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellant in de maanden oktober en november 2014, van augustus 2015 tot en met december 2015 en vanaf januari 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de minister de aan appellant toegekende studiefinanciering over de in 1.2 vermelde periodes herzien, in die zin dat appellant vanaf
1 oktober 2014 is aangemerkt als thuiswonende studerende, en de te veel betaalde toelage van in totaal € 1.645,04 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 25 april 2016 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat uit een controle op 12 februari 2016 is gebleken dat appellant niet woonde op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven.

1.4.

Het door appellant tegen het besluit van 11 maart 2016 gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juli 2016 ongegrond verklaard. De opgelegde boete is bij beslissing op bezwaar van
12 juli 2016 verlaagd. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen deze besluiten van
12 juli 2016.

1.5.

Op 18 maart 2016 heeft appellant de minister verzocht hem met ingang van 1 maart 2016 weer studiefinanciering toe te kennen voor een uitwonende studerende. Daarbij is geen adreswijziging doorgegeven.

1.6.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft de minister dit verzoek afgewezen.

1.7.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het onder 1.6 vermelde besluit. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanaf maart 2016 woont op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven. Na de controle in februari 2016 heeft hij samen met zijn grootouders de zolderruimte op het brp-adres opgeknapt en ingericht tot zijn woonruimte. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant afschriften overgelegd van foto’s van zijn woonruimte met de datum 29 juli 2016 alsmede een verklaring van 3 november 2016 van zijn mentrix [naam mentrix] (mentrix).

1.8.

Bij besluit van 16 november 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Op basis van de verklaring van de mentrix, die op
3 november 2016 een bezoek heeft gebracht aan het brp-adres van appellant, heeft de minister appellant met ingang van 1 november 2016 aangemerkt als een uitwonende studerende en hem per die datum de daarbij behorende toelage toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank is van oordeel dat appellant per augustus 2016 voldaan heeft aan de op hem rustende bewijslast zoals deze voortvloeit uit de uitspraak van de Raad van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928. Overwogen is dat met de foto’s van
29 juli 2016, de verklaring van de mentrix van 3 november 2016 en de ter zitting door appellant en zijn grootvader afgelegde verklaringen, voldoende is aangetoond dat appellant vanaf eind juli 2016 daadwerkelijk woont op zijn brp-adres. Zodoende komt appellant vanaf augustus 2016 in aanmerking voor een uitwonende beurs.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is geoordeeld dat hij eerst vanaf augustus 2016 in aanmerking komt voor een uitwonende beurs. Appellant stelt dat hij vanaf maart 2016 woont op zijn brp-adres. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een aankoopbewijs van 29 april 2016 van een rolgordijn overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928, is overwogen dat indien de studerende een aanvraag indient voor het normbedrag voor een uitwonende studerende en hij hetzelfde brp-adres opgeeft waarvan door de minister eerder is vastgesteld dat hij daar niet woonde, de minister mag verlangen dat deze studerende aantoont, zo veel mogelijk aan de hand van objectief bewijs, dat hij op de latere datum voldoet aan de vereisten om voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking te komen. Als bewijs valt bijvoorbeeld te denken aan verklaringen van onafhankelijke derden (zoals onder meer een huisarts of een decaan) die berusten op eigen waarnemingen omtrent de woonsituatie, aan een huurovereenkomst, aan bankafschriften, aan een polis van een inboedelverzekering, aan poststukken en aan gedetailleerde getuigenverklaringen van buren, vrienden en/of familie. Uit de (combinaties van) bewijsstukken moet overtuigend naar voren komen dat de studerende op het brp-adres woonachtig is. Voor een studerende die daadwerkelijk op dat adres woont, zal het overleggen van dergelijke bewijsstukken doorgaans ook geen onoverkomelijke problemen opleveren.

4.2.

Appellant heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan voor de periode maart 2016 tot en met juli 2016. Het gegeven dat de mentrix, zoals zij in haar in beroep overgelegde nadere verklaring stelt, appellant al sinds geruime tijd regelmatig tegenkwam in de buurt van het brp-adres levert op zichzelf bezien, maar ook in samenhang met de overige bewijsmiddelen, geen afdoende bewijs van bewoning op het brp-adres in (een deel van) die periode op. Hetzelfde geldt voor de door appellant in hoger beroep overgelegde nota van de aankoop op 29 april 2016 van een rolgordijn.

4.3.

Aan het voorgaande wordt toegevoegd dat, anders dan appellant veronderstelt, er geen rechtsgrond aanwijsbaar is op grond waarvan de minister gehouden was appellant voor te lichten over de bewijsmiddelen die aan de nieuwe aanvraag ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) L. Boersma

SS