Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
17/1086 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverlening waarbij gestorte bedragen als inkomen in aanmerking worden genomen. Periode van geen bijstand. Leningen karakter niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1086 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 22 december 2016

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

Datum uitspraak: 5 december 2017

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3144, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2015, 14/6343, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het college heeft op 22 december 2016 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft appellant een zienswijze ingediend en nadere stukken ingebracht. Het college heeft hierop schriftelijk een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 23 augustus 2016. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 23 augustus 2016 geoordeeld dat het college ten onrechte de aanvraag om bijstand van appellant heeft afgewezen, aangezien de resultaten van het door het college ingestelde onderzoek ten aanzien van de te beoordelen periode, van

25 januari 2014 tot 8 juni 2016, onvoldoende grond bieden voor het standpunt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres.

2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college over de periode van 25 januari 2014 tot 8 juni 2016 bijstand toegekend, waarbij voor de vaststelling van de norm is uitgegaan van de situatie van inwoning van appellant bij zijn zoon en waarbij de geldstortingen door appellant op zijn eigen bankrekening als inkomsten op de bijstand in mindering zijn gebracht.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de stortingen op eigen rekening ten onrechte op de hem verleende bijstand in mindering zijn gebracht. De stortingen betroffen geleend geld en vonden plaats in een periode waarin hij niet zelf in de kosten van het bestaan kon voorzien vanwege de afgewezen aanvraag om bijstand en hij aangewezen was op leningen bij familie en een vriend. Appellant heeft verklaringen ingebracht van deze familieleden en de vriend. Hij stelt dat de gestorte bedragen, gelet op de jurisprudentie van de Raad, niet zijn aan te merken als middelen van bestaan die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht omdat het leningen betreft gedurende de aanvraagfase van de bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW), voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend, waaronder giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.2.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, (…) dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.3.

Artikel 19, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, bepaalt dat een alleenstaande of het gezin recht heeft op algemene bijstand indien (a) het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en (b) er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan.

4.5.

Dit kan, zoals appellant terecht heeft betoogd, anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Zie de uitspraak van de Raad van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872.

4.6.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3188) overwogen dat de betrokkene in de situatie als bedoeld in 4.5 aannemelijk dient te maken dat hij geen ander inkomen heeft en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan.

4.7.

Appellant verkeerde in de te beoordelen periode in een situatie als in 4.5 bedoeld. Appellant ontving in eerste instantie over die periode geen bijstand en niet in geschil is dat de in die periode door appellant ontvangen bedragen van familie en een vriend bedoeld waren om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de ontvangen bedragen leningen betroffen. De verklaringen van de geldschieters zijn onvoldoende concreet om daartoe te kunnen concluderen. In de verklaringen is enkel te lezen dat in een periode van januari 2014 tot januari/maart 2016 door hen geld is geleend aan appellant en wat het totaalbedrag was. Onduidelijk is op welk moment zij welk bedrag aan appellant hebben verstrekt en op welke wijze. Tevens blijkt uit de verklaringen niet dat bij de betaling van het geld, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft die terugbetaald moet worden en wanneer dat moet gebeuren. Ter zitting heeft appellant hierover verklaard dat de geldschieters ervan uitgingen dat hij de geleende bedragen zou terugbetalen. Hieruit volgt dat over de terugbetaling geen concrete afspraken zijn gemaakt. De vermelding in de verklaringen dat de lening feitelijk is terugbetaald, is niet toereikend voor de conclusie dat de betreffende bedragen destijds als lening met een concrete terugbetalingsverplichting zijn verstrekt. In die zin verschilt de situatie van appellant met de door hem aangehaalde uitspraak van 6 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3307).

4.8.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is niet voldaan aan de in 4.6 bedoelde vereisten. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de bedragen die hij in de periode in geding heeft ontvangen voor levensonderhoud bestemde leningen betreffen die niet op de bijstand in mindering mochten worden gebracht.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) P.C. de Wit

HD

.