Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
15/7666 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7142, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante wordt geschikt geacht tot het verrichten van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7666 WIA

Datum uitspraak: 24 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2015, 14/1331 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op basis van een tijdelijk dienstverband als meetanalist werkzaam geweest voor ongeveer 40 uur per week. Nadat zij op haar fiets een aanrijding heeft gehad met een auto die wilde inparkeren, heeft zij zich op 7 september 2009 met nek-, arm- en duizeligheidsklachten ziek gemeld voor haar werk. Zij is hervat in aangepaste werkzaamheden. Nadat zij in maart 2010 op een treinperron is gevallen, waardoor er klachten aan de linkerknie zijn bijgekomen, is zij opnieuw uitgevallen. Na beëindiging van haar dienstverband op 19 april 2010 heeft zij langere tijd een bijstandsuitkering ontvangen. In juni 2013 heeft zij het Uwv verzocht om haar alsnog met ingang van 5 september 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Een verzekeringsarts van het Uwv heeft vervolgens medisch onderzoek verricht, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 5 september 2013. De verzekeringsarts is uitgegaan van de diagnose Duizeligheid en draaierigheid BPPD (benigne paroxysmale positieduizeligheidsklachten) en heeft de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 september 2013. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd en op basis daarvan berekend dat appellante op 5 september 2011 meer dan haar maatmaninkomen kon verdienen. Bij besluit van 10 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 5 september 2011 (datum in geding) geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.2.

Naar aanleiding van het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch onderzoek verricht, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 17 december 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat er afgezien van BPPD geen pathologie bij appellante aan de orde is. De klachten van appellante moeten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geschaard worden onder de noemer chronisch pijnsyndroom. Volgens hem is er bij dergelijke klachten geen medische noodzaak om pijn veroorzakende activiteiten te vermijden, maar is het, hoewel niet strikt noodzakelijk, wel raadzaam om fysiek zeer zware belasting te vermijden. Om die reden heeft hij in de FML enkele beperkingen toegevoegd. Op basis van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek verricht en de door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies gehandhaafd. Bij besluit van 16 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In de beroepsfase heeft zij rapporten van 30 november 2014 en 30 januari 2015 ingebracht van respectievelijk een door neuroloog P. Verlooy en een door psychiater M. Kazemier verrichte expertise, die in opdracht van de rechtbank Rotterdam in het kader van een door appellante naar aanleiding van haar ongeval in 2009 aanhangig gemaakte letselschadezaak zijn verricht. Tevens heeft zij een brief van 27 juni 2014 van neuroloog drs. R.D. Oedit overgelegd.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe ─ kort samengevat ─ overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Nu de stellingen van appellante en de door haar overgelegde medische gegevens geen grond geven voor twijfel over de vastgestelde beperkingen, is er volgens de rechtbank geen reden om aan de in de letselschadezaak benoemde deskundigen nadere vragen te stellen, zoals door appellante is verzocht. De geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geduide functies is naar de rechtbank heeft overwogen door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Appellante heeft ook het oordeel van de rechtbank bestreden dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor haar geschikt zijn. De beroepsgronden zullen onder 4 worden besproken.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er onjuiste dan wel onvolledige beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen.

4.2.

Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de klachten aan de nek van appellante, uitstralend naar haar linker schouder, arm en vingers worden verklaard door een wortelcompressie. Blijkens de medische informatie in het dossier is er na het ongeval in 2009 meerdere malen beeldvormend en EMG-onderzoek van (onder meer) de nek van appellante verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover overwogen dat daaruit niet is gebleken van het bestaan van een evidente wortelcompressie die de klachten in de nek, linker arm en vingers van appellante zouden kunnen verklaren. Neuroloog Oedit heeft, blijkens zijn brief van 27 juni 2014, een eerdere MRI CWK opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat mogelijk toch sprake is van een compressie van de wortels C7 beiderzijds, maar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt dit niet ondersteund door het verrichte beeldvormend onderzoek en is daarvan niet gebleken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is alleen gebleken van het bestaan van een degeneratieve afwijking, namelijk een tussenwervelschijfuitpuiling zonder druk op de zenuwwortel, wat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadrukkelijk niet de klachten verklaart die appellante heeft gemeld. Evenals de rechtbank heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten om aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in dit verband ook op gewezen dat ook neuroloog Verlooy als diagnose degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom (CWK) vermeldt en dat er ook volgens hem een discrepantie bestaat tussen de bevindingen bij het onderzoek van de CWK en de pijnklachten van appellante. Het standpunt van appellante dat de rechtbank met haar oordeel over de beperkingen in verband met de nekklachten van appellante buiten de omvang van het geding is getreden, wordt niet gevolgd.

4.3.

Ten aanzien van de linker knieklachten geldt dat er blijkens de medische informatie in het dossier op 27 mei 2010 een partiële ruptuur van de achterste kruisband is vastgesteld. Uit de beschikbare medische informatie blijkt niet dat appellante daarvan op de datum in geding nog beperkingen ondervond. In dat verband is van belang dat orthopedisch chirurg

R.W. Klein Nagelvoort op 4 juli 2011 heeft geconstateerd dat de knie- en rugfunctie van appellante ongestoord zijn. Gelet daarop kan niet geoordeeld worden dat er meer of andere beperkingen in verband met de knieklachten van appellante aangenomen hadden moeten worden.

4.4.

Voor de overige door appellante geclaimde lichamelijke klachten is niet gebleken van een medisch substraat. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

17 december 2013 voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking per einde wachttijd niet was aangewezen. Appellante is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, na haar ongeval niet onder behandeling van een psycholoog of psychiater geweest. Bijgevolg is er geen medische informatie voor handen waaruit blijkt dat op de datum in geding sprake was van zodanig ernstige psychopathologie dat een urenbeperking was aangewezen. Dit volgt ook niet uit het rapport van psychiater Kazemier, aangezien deze op basis van een door hem op 16 oktober 2014 verricht onderzoek de diagnose van depressieve stoornis matig ernstig met chronisch karakter bij appellante heeft gesteld.

4.5.

Nu de medische informatie geen aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum in geding, had de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om Verlooy en Kazemier in de onderhavige procedure tot deskundigen te benoemen.

4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt moet worden geacht tot het verrichten van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven. Verwezen wordt naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 6 september 2013, het Resultaat functiebeoordeling en de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 januari 2014, 13 maart 2014 en 16 januari 2017, waarin de geschiktheid van deze functies is gemotiveerd. Naar aanleiding van de (hoger) beroepsgronden wordt nog het volgende overwogen. Anders dan appellante veronderstelt betreft de functie van Magazijn, expeditiemedewerker geen fysiek zwaar werk. Voorts brengt deze functie voor appellante, anders dan zij heeft gesteld, geen verhoogd persoonlijk risico met zich mee, nu zij beperkt is geacht op werk waarin onbeschermd op hoogtes of aan onbeschermde gevaarlijke machines wordt gewerkt en daarvan is in deze functie geen sprake. Voor de functie van Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) geldt dat in de functiebelastinggegevens geen signalering op het aspect hoofdbewegingen maken en zitten (tijdens het werk) is verschenen, zodat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid op dit aspect. Wel is er een signalering op het aspect gebogen en/of getordeerd actief zijn verschenen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de functie ondanks de signalering voor appellante geschikt is. Voor de functie van Wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur geldt dat een signalering is verschenen op het aspect hoofdbewegingen maken. Ook hiervoor geldt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de functie ondanks de signalering voor appellante geschikt is. Geen signalering is verschenen op de aspecten zitten (tijdens het werk), gebogen en/of getordeerd actief zijn en hand- en vingergebruik, zodat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid op deze aspecten.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

IJ