Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
15/7992 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering, boete en verrekening. Het Uwv was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op grond van artikel 20a, tweede lid, in verbinding met artikel 14g, tweede lid, van de TW bevoegd om de proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de vordering uit onverschuldigd betaalde toeslag. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene voor zover dat betrekking heeft op de verrekening van de kostenvergoeding ten onrechte gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/24
ABkort 2017/373
RSV 2018/85
USZ 2018/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7992 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

30 oktober 2015, 15/1899 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 24 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. Namens appellant is W.R. Bos verschenen. Betrokkene is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontvangt vanaf 21 april 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 15 juli 2003 heeft zij een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) ontvangen. Bij besluit van 26 april 2013 heeft appellant de toeslag met ingang van 1 mei 2013 beëindigd. Bij besluit van 6 juni 2013 heeft appellant de toeslag met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken en over de periode van 1 januari 2006 tot en met

30 april 2013 een brutobedrag aan toeslag teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 6 juni 2013 heeft appellant aan betrokkene een boete opgelegd. De bezwaren tegen deze besluiten heeft appellant bij beslissing op bezwaar van 9 augustus 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 november 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland deze beslissing, onder gegrondverklaring van het beroep van betrokkene daartegen, vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

1.2.

Bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 april 2013 ongegrond verklaard. Bij deze beslissing heeft appellant tevens het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 6 juni 2013 gegrond verklaard, deze besluiten herroepen, over de periode van 20 februari 2007 tot 1 mei 2013 een brutobedrag aan toeslag teruggevorderd en de opgelegde boete verlaagd, met vergoeding van de door betrokkene in bezwaar gemaakte kosten. Voorts heeft appellant bij deze beslissing op bezwaar aan betrokkene meegedeeld dat de kostenvergoeding zal worden verrekend met het teruggevorderde bedrag aan toeslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de verrekening van de kostenvergoeding in bezwaar met de vordering van appellant, en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat appellant de door betrokkene in de bezwaarfase gemaakte kosten aan haar moet vergoeden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de door hem verschuldigde kostenvergoeding in bezwaar ten onrechte heeft verrekend met zijn vordering op betrokkene, omdat niet gebleken is van een wettelijke basis voor deze verrekening. Artikel 14g van de TW geeft volgens de rechtbank geen bevoegdheid voor genoemde verrekening, omdat daarin de verrekening van een bestuurlijke boete met een uitkering is geregeld. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is alleen in geschil of appellant bevoegd was om de door hem aan betrokkene verschuldigde kostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met zijn vordering op betrokkene uit hoofde van de onverschuldigd betaalde toeslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij wet van 25 juni 2009, Stb. 2009, 264 is de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Deze wet is op 1 juli 2009 in werking getreden. Daarbij is onder meer titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden ingevoerd. Het in deze titel opgenomen artikel 4:93 bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts mogelijk is voor zover de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. De Memorie van Toelichting (MvT) bij deze bepaling (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 41) vermeldt dat gezien het uiteenlopende karakter van de taken van bestuursorganen, het in algemene zin toestaan van verrekening van met die taken samenhangende geldschulden in beginsel ongewenst is. Het is om die reden van belang dat verrekening slechts kan plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving een voorziening is getroffen.

4.2.

In artikel 14g, eerste lid, van de TW is voor verrekening door het Uwv van een aan een belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete met (onder meer) een toeslag op grond van de TW een voorziening getroffen. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 14g van de TW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, het Uwv de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. Artikel 14g van de TW is in artikel 20a, tweede lid, van de TW, van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde toeslag een wettelijke grondslag aanwezig is. De Raad vindt voor dit oordeel steun in de in de MvT op de Verzamelwet SZW 2013 onder artikel I onder onderdeel B gegeven toelichting, waarnaar onder artikel V onder onderdeel B (artikel 14g) is verwezen. De wetgever heeft daar opgemerkt: “Het verrekeningsartikel van de boete, waarin het nieuwe artikellid wordt opgenomen, is van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van de onverschuldigde betaling, zodat een aan een belanghebbende toekomende schadevergoeding of proceskostenvergoeding kan worden verrekenend met een uitkering of toeslag van het bestuursorgaan, een uitkering of toeslag van een ander bestuursorgaan of een opgelegde boete.” De verwijzing door betrokkene naar de uitspraak van de Raad van 20 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1595) slaagt niet omdat in die zaak de verrekening van de nabetaling van de WAO-uitkering met de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag vóór 1 juli 2013 plaatsvond.

4.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op grond van artikel 20a, tweede lid, in verbinding met artikel 14g, tweede lid, van de TW bevoegd was om de proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de vordering uit onverschuldigd betaalde toeslag. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene voor zover dat betrekking heeft op de verrekening van de kostenvergoeding ten onrechte gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep van betrokkene voor zover dat betrekking heeft op de verrekening van de proceskostenvergoeding ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2017.

(getekend) R.E. Bakker

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

JL