Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
15/2660 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1629, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toename arbeidsongeschiktheid. Deskundige. Nu uit alle medische rapporten, met uitzondering van die van de verzekeringsartsen, een beeld naar voren komt dat voor appellante op de datum in geding meer beperkingen golden en daarover niet meer zekerheid is te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2660 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 maart 2015, 14/6565 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.K. Wouterse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige J.J.D. Tilanus, psychiater, op 10 april 2017 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben reacties ingediend op het rapport van de deskundige.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige op 24 juli 2017 een nader rapport uitgebracht, waarop partijen reacties hebben ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wouterse en vergezeld door [naam A] , [naam B] , [naam C] en [naam D] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is 32 uur per week werkzaam geweest als personeelsadviseur in de thuiszorg. Vanuit een situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving heeft zij zich op 7 februari 2008 ziek gemeld. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 februari 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 januari 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WGA-uitkering met ingang van 4 februari 2010 gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Bij besluit van
27 juni 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van 11 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA.

1.2.

Op 22 april 2014 heeft appellante bij het Uwv melding gedaan van een verslechtering van haar gezondheid. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht en mede op grond van informatie van de behandelend psychiater van
6 juni 2014 gerapporteerd dat appellante bekend is met een bipolaire stoornis, die met lithium wordt behandeld. Daarnaast is er sprake van een depressief klachtenbeeld, waarvoor appellante geen antidepressiva meer gebruikt. Appellante heeft vermoeidheidsklachten die al sinds haar vroege jeugd lijken te bestaan. Ook is er sprake van concentratieproblemen. Uit neuropsychologisch onderzoek zijn geen aanwijzingen voor concentratie- en geheugenstoornissen gebleken. Volgens appellante “houdt het wel op na een uur inspanning”. Uit het dagverhaal blijkt dat sprake is van regelmaat op de dag en een goede zelfzorg. Het huishoudelijk werk laat appellante gewoonlijk aan derden over, maar ze eet regelmatig en kookt zelf. Ze volgt het nieuws en rijdt korte stukjes auto. Uit informatie van de behandelend psychiater komt naar voren dat er in het voorjaar van 2014 een depressieve terugval is geweest en misbruik van alcohol.

1.3.

De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante bekend is met chronische vermoeidheid, die, gelet op de resultaten van neuropsychologisch onderzoek, deels psychisch kan worden verklaard. Er is geen sprake van specifieke lichamelijk afwijkingen, maar in verband met de chronische vermoeidheidsklachten zijn enkele beperkingen aangenomen voor dynamische handelingen en statische houdingen, zij het minder dan voorheen. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen aanwijzingen voor concentratie- en geheugenstoornissen. Wel heeft hij beperkingen aangenomen voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid. Ten slotte heeft de verzekeringsarts uit preventief oogpunt voor appellante een urenbeperking tot maximaal ongeveer 20 uur per week aangenomen. De mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) 26 juni 2014.

1.4.

Nadat arbeidskundig onderzoek op basis van de FML had uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 27 juni 2014 moet worden vastgesteld op 67,43%, heeft het Uwv appellante bij besluit van 15 juli 2014 te kennen gegeven dat de hoogte van haar loonaanvullingsuitkering niet wijzigt en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 27 juni 2014 wordt vastgesteld op 67,43%.

1.5.

Bij besluit van 17 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 15 juli 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op arbeidskundige gronden is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante nader vastgesteld op 68,40%. Het bestreden besluit berust op rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van, onderscheidenlijk, 3 oktober 2014 en
15 oktober 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in door appellante nader overgelegde informatie van klinisch psycholoog-psychotherapeut J.K.M. Poell van
26 september 2014, waarbij mede wordt gewezen op aanwezigheid van een persoonlijkheid met obsessief-compulsieve trekken, geen aanleiding gezien tot bijstelling van het rapport van de verzekeringsarts. Aan het slot van zijn rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven:

“Uit het dagverhaal opgemaakt door de primaire verzekeringsarts en het dagverhaal beschreven door cliënt zelf in de persoonlijke vragenlijst kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van ernstige symptomen (b.v. ernstige dwangmatige rituelen, frequent winkeldiefstallen) en ernstige beperkingen in het sociaal functioneren (=GAF-score van 41-50), daar er sprake is van een normaal dag/nachtritme; cliënt doet haar huishouden, wandelt 3 x per dag met de hond, cliënt kijkt ‘s avonds 2 uur tv. Cliënt heeft sociale contacten 1-3 per week en regelmatig contacten met behandelaars.”

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank ligt aan dit besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag en hebben de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen bij appellante vastgesteld. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder een bipolaire stoornis. Met de psychische belastbaarheid en de vermoeidheidsklachten van appellante heeft het Uwv voldoende rekening gehouden, evenals met de vermoeidheidsklachten, waarin de verzekeringsartsen aanleiding hebben gevonden om een urenbeperking tot 20 uur per week aan te nemen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsartsen haar belastbaarheid onjuist zouden hebben ingeschat. Mede gelet op de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichting op de zogenoemde signaleringen is de rechtbank er ten slotte voldoende van overtuigd dat de geselecteerde functies geen overschrijding van de belastbaarheid van appellante inhouden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat. Daartoe heeft appellante verwezen naar een brief van
8 juni 2015 van Poell, die melding maakt van een recente ernstige manisch-psychotische ontremming, die de ernst van het ziektebeeld van appellante bevestigt. Volgens Poell moet ervan worden uitgegaan dat deze psychose, en eerdere in het verleden, manifestaties zijn van een continu aanwezig zijnde latent psychotische onderstroom, die overdekt wordt door de goede indruk die appellante naar buiten toe weet te maken. De ziekte kan door relatief geringe stressoren worden geluxeerd.

3.2.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar hoger beroep voorts een rapport van medisch adviseur Derks van 18 juni 2015 ingebracht. Derks heeft primair het standpunt ingenomen dat appellante op de datum in geding geen benutbare mogelijkheden had. Appellante heeft zich, na vele jaren in de zorgsector werkzaam te zijn geweest, in 2006 ziek gemeld met psychische klachten, die toen nog als een burn-out werden geduid. Ten tijde van de ziekmelding van
7 februari 2008, die aanleiding is geweest voor de toekenning van de WIA-uitkering, was er sprake van een organische psychose en depressie. In februari 2009 had appellante haar eerste manische periode en werd bij haar de diagnose bipolaire stoornis gesteld. Haar toenmalige psychiater sprak van een sombere prognose gezien de ernst van de depressieve fases met psychociteit en de daarop volgende langdurige depressies. Bij de WIA-beoordeling in 2009 was er volgens de verzekeringsarts van het Uwv sprake van een vrouw met een aanzienlijke psychiatrische problematiek. In 2013 waren er naast een toename van de psychische klachten sterke vermoeidheidsklachten. Bij een neurologisch onderzoek in december 2013 werd naast de aanwezigheid van een bipolaire stoornis tevens het vermoeden van ADHD uitgesproken. Uit brieven van psycholoog Poell en psychiater Bergoets van, onderscheidenlijk,
29 september 2014 en 6 juni 2014 blijkt dat in 2014 sprake was van misbruik van alcohol, dat appellante snel daarna weer onder controle had. Voorts was sprake van essentiële hypertensie en chronische vermoeidheid. Derks heeft in het bijzonder belang gehecht aan de door appellante in bezwaar overgelegde brief van Poell, waarin als diagnose werd gesteld: “bipolaire I stoornis, laatste periode depressief, gedeeltelijk in remissie; misbruik van alcohol; stoornis in de impulsbeheersing; ongedifferentieerde somatoforme stoornis en hypertensie.” Voorts acht Poell trekken van een dwangmatige persoonlijkheid aanwezig en heeft hij benadrukt dat appellante een overlevingsmodus heeft gevonden waarbij zij anderen probeert te ‘pleasen’. Dit laatste leidt Derks tot de vaststelling dat appellante bij de beoordeling door de verzekeringsartsen het slachtoffer is geworden van haar motivatie niemand tot last te willen zijn.

3.3.

In zijn rapport van 23 juni 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven zich slechts in zoverre met het rapport van Derks te kunnen verenigen dat voor appellante alsnog een beperking moet worden opgenomen voor persoonlijk risico. De mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn neergelegd in een FML van 23 juni 2015. Uitgaande van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vervolgens vastgesteld dat deze nadere beperking geen wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante tot gevolg heeft.

3.4.

Nadat de Raad partijen kennis had gegeven van zijn voornemen een deskundige te benoemen heeft appellante nadere medische stukken overgelegd, waaronder een expertiserapport van psychiater J. Huisman van 7 januari 2016. Op basis van zijn onderzoek heeft Huisman geconcludeerd dat de beperkingen op de datum in geding dezelfde zijn als die ten tijde van zijn onderzoek zijn aangetroffen. Volgens Huisman:

“zijn deze beperkingen gerelateerd aan de bipolaire I stoornis en met name ook aan de cognitieve functiestoornissen die appellante ervaart binnen het beloop van deze stemmingsstoornis, mede in wisselwerking met de bijwerkingen van langdurig Lithiumgebruik. Tevens wordt rekening gehouden met de ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Vastgesteld kan worden dat de mentale belasting voor betrokkene duidelijk zeer beperkt is. Ten aanzien van de ADL zijn geen wezenlijke beperkingen te duiden, hoewel betrokkene – zoals ze zelf aangegeven heeft – ruim de tijd moet nemen om een aantal activiteiten binnen ADL uit te kunnen voeren. Hetzelfde kan gezegd worden voor het uitoefenen van hobby’s en andere recreatieve activiteiten.

Ten aanzien van loonvormende arbeid in het algemeen geldt een sterke beperking voor betrokkene indien werkzaamheden onder tijdsdruk plaats zouden moeten vinden, dan wel dat deadlines gehaald zouden moeten worden. Hetzelfde geldt voor een dwingend werktempo. Thans is het niet voorstelbaar dat betrokkene werkzaamheden zou kunnen verrichten waarbij conflicterende functie-eisen aan de orde zouden kunnen zijn. Ook geldt een ernstige beperking voor conflicthantering in publiek-klantgerichte functies. Met betrekking tot kortcyclisch repetitieve werkzaamheden, dan wel monotoon werk, geldt voor betrokkene toch een matige beperking gelet op haar cognitieve problemen. Omdat werkzaamheden met een bepaalde verantwoordelijkheid gepaard kunnen gaan met een afbreukrisico, geldt naar mijn mening hiervoor voor betrokkene een matige beperking. Geen beperkingen voor werkzaamheden die onder leiding plaatsvinden dan wel in teamverband. In de huidige situatie is solistisch werken voor betrokkene minder gewenst. Gelet op de zeer beperkte mentale belastbaarheid kan in het algemeen verder gesteld worden dat werkzaamheden waarvoor voldoende zelfvertrouwen noodzakelijk is, flexibiliteit vereist is, dan wel voldoende assertiviteit, matig tot ernstig beperkt zullen zijn.”

Huisman heeft zich niet uitgelaten over de noodzaak van een urenbeperking.

3.5.

Op 10 april 2017 heeft de door de Raad geraadpleegde deskundige Tilanus advies uitgebracht. In antwoord op de door de Raad gestelde vragen heeft Tilanus te kennen gegeven dat bij appellante op de datum in geding sprake was van een bipolaire I stoornis. Op dat moment was er, meest waarschijnlijk, sprake van een depressieve episode, die gedeeltelijk in remissie was/kwam. Ook was er toen sprake van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en misbruik van alcohol.

De vraag of voor appellante op de datum in geding meer beperkingen gelden dan door de verzekeringsarts in de FML van 23 juni 2015 zijn aangenomen heeft de deskundige als volgt beantwoord:

“De mentale status van onderzochte was in de periode in geding (juni 2014) zeer waarschijnlijk zodanig dat er bij onderzochte sprake was van diverse beperkingen ten aanzien van haar functioneren. Echter, uit het gegeven dat onderzochte

-Zich in september 2014 (al/weer) kon handhaven qua dagstructuur, huishoudelijke taken en zelfverzorging;

-in 2014 (al/weer) diverse onderdelen van een behandeltraject kon volgen/volgde (met onder andere psychotherapie waarvoor toereikende/aanzienlijke cognitieve vermogens noodzakelijk zijn);

-in 2014 een vermoedelijk ambulante (en succesvolle) behandeling kon volgen voor alcoholmisbruik;

-op 27 juni 2014 niet was opgenomen op een psychiatrische afdeling;

-zelf aangeeft dat haar dagindeling in deze periode vermoedelijk min of meer vergelijkbaar was met nu (waar zij actueel nog in staat is tot het aanhouden van dagstructuur, zelfverzorging, deelname aan activiteiten, volgen van tv-programma’s);

-nog tot augustus 2016 zelf met de auto reed, geen ongelukken veroorzaakte en zelf een herkeuring bij het CBR, bijvoorbeeld vanwege haar concentratieklachten, niet nodig vond/vindt;

kan worden opgemaakt dat haar persoonlijk en sociale functioneren in deze periode niet dusdanig was verschraald door functiebeperkingen op het vakgebied van de psychiatrie dat er – door een verzekeringsarts – helemaal geen benutbare mogelijkheden zouden kunnen worden ingeschat.”

De deskundige heeft hier echter aan toegevoegd dat niet kan worden uitgesloten dat het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante op de datum in geding negatief konden worden beïnvloed door alcoholmisbruik en een chronische psychiatrische ziekte (bipolaire stoornis met eerdere decompensaties, het gebruik van lithium en chronische lichamelijke klachten, met name vermoeidheid). Zowel een depressie als alcoholgebruik zouden, zeker in combinatie, op de in geding zijnde datum kunnen hebben geleid tot een tijdelijke verergering van cognitieve en conatieve functiestoornissen en daarmee gepaard gaande beperkingen. De deskundige heeft hier nog aan toegevoegd dat de aandachtsfuncties en de mogelijkheid om initiatief te nemen en te plannen/organiseren juist in de periode rond de datum in geding negatief werden beïnvloed. De algemene conclusie die de deskundige uit zijn onderzoek trekt is dat niet voldoende eenduidig kan worden aangegeven of er bij appellante in de periode rond de datum in geding sprake was van meer beperkingen dan waarop de verzekeringsarts de FML destijds heeft gebaseerd.

3.6.

In een reactie van 30 april 2017 heeft Derks geconcludeerd dat Tilanus weliswaar geen eenduidig oordeel heeft gegeven over de situatie in juni 2014, maar dat uit zijn overwegingen wel degelijk blijkt dat de door appellante geclaimde en ervaren beperkingen reëel kunnen zijn geweest en dat het mogelijk is dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen. Uit het rapport van Tilanus blijkt volgens Derks ook dat de huidige situatie beter oogt dan in 2014, maar dat dit alleen zo is omdat er nu geen duidelijke stemmingsklachten meer zijn. Wel is er nog steeds sprake van een bipolaire stoornis die aanleiding is voor forse beperkingen, onder meer voor zelfstandig handelen en de noodzaak van intensieve begeleiding. Volgens Derks waren deze beperkingen er ook al in 2014. Omdat de bipolaire stoornis ook destijds al bestond geven deze beperkingen aanleiding op de datum in geding volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

3.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 1 juni 2017 te kennen gegeven in het rapport van Tilanus en de reactie hierop van Derks geen aanleiding te zien voor een andere beoordeling.

3.8.

Desgevraagd heeft Tilanus bij brief van 24 juli 2017 over het rapport van Derks van
30 april 2017 te kennen gegeven dat de door Derks gegeven analyse van zijn overwegingen in het deskundigenrapport van 10 april 2017 voor zich spreekt. Met betrekking tot de opmerking van Derks dat de overwegingen over verslechtering of verbetering in het rapport van
10 april 2017 niet goed zijn te begrijpen heeft de deskundige aanvullend verduidelijkt dat

“in het beloop van de bij [appellante] – eenduidig en consistent – gestelde diagnose bipolaire stoornis, een (ernstige) verslechtering of decompensatie kan optreden. Echter, of dat ook zal gebeuren valt niet goed te voorspellen. Gelet op het gegeven dat er ten tijde van het onderzoek sprake was van een nog recente status na een ernstige decompensatie en bijwerkingen van medicatie, was ook een verdere verbetering van deze recente decompensatie mogelijk. Ook hier geldt dat nadrukkelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen het gegeven dat de diagnose bipolaire stoornis enerzijds zorgt voor een blijvende kwetsbaarheid bij onderzochte, waarbij diverse factoren kunnen leiden tot een ontregeling/decompensatie en dat er anderzijds, tussen de episoden door, ook sprake kan zijn van, zoals ten tijde van het onderzoek werd geconstateerd, een meer adequaat functioneren, met minder beperkingen dan ten tijde van een decompensatie.”

3.9.

Over de in het rapport van 1 juni 2017 gemaakte opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de door de deskundige genoemde extrapiramidale symptomen (tremor) nooit eerder werden beschreven en dat deze symptomen dateren van na de datum in geding, heeft de deskundige opgemerkt dat uit het gegeven dat deze symptomen nooit eerder werden beschreven niet kan worden geconcludeerd dat deze pas na de datum in geding zijn ontstaan en dat een tremor de frequentste bewegingsstoornis bij lithiumgebruik is. Appelante gebruikt al sinds 2009 een lithiumpreparaat.

3.10.

Bij brief van 16 augustus 2017 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2017, herhaald dat de diagnose die aan de beperking van appellantes belastbaarheid ten grondslag ligt over een wat langere periode bezien een wisselende belastbaarheid met zich meebrengt. Een oordeel over die belastbaarheid is daarom bij uitstek gerelateerd aan het moment waarover ten aanzien van de belastbaarheid een oordeel wordt gegeven. Met betrekking tot het in deze zaak van belang zijnde moment is van een juist beeld van de belastbaarheid van appellante uitgegaan. Dit laat onverlet dat op een ander moment, bijvoorbeeld tijdens een opname in 2016, wel van een substantieel afgenomen belastbaarheid en daardoor toegenomen arbeidsongeschiktheid sprake kan zijn geweest.

3.11.

Bij brief van 1 september 2017 heeft Derks zijn standpunt dat appellante op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was nader toegelicht. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de deskundige heeft erkend dat de bipolaire stoornis zorgt voor een blijvende kwetsbaarheid van appellante. Deze is onvoldoende door het Uwv onderkend. Meer in het bijzonder heeft het Uwv niet onderkend dat appellante op intensieve hulp is aangewezen. Ook de deskundige heeft erkend dat de sociaal-psychiatrische begeleiding die appellante ontvangt als intensief moet worden aangemerkt. Daarnaast is appellante aangewezen op hulp van familie en kennissen.

3.12.

Ter zitting heeft [naam B] , vriendin en begeleidster van appellante, desgevraagd verklaard dat zij appellante heeft vergezeld tijdens het op 2 juni 2014 verrichte onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv. Appellante heeft toen te kennen gegeven dat zij goed is in administratief werk, terwijl ze haar post nooit opende. Toen [naam B] daar een opmerking over maakte heeft appellante geprobeerd zichzelf te verwonden. Daarop heeft de verzekeringsarts in overleg met appellante en [naam B] het onderzoek beëindigd. Het heeft [naam B] verbaasd dat de verzekeringsarts dit incident niet in het rapport van 26 juni 2014 heeft vermeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt.

4.2.

Het deskundigenrapport van Tilanus geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft de beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante in zijn beoordeling betrokken. Het rapport is inzichtelijk en consistent, maar bevat geen conclusie waarop de Raad zijn oordeel over de op de datum in geding voor appellante aan te nemen beperkingen rechtstreeks kan baseren.

4.3.

De deskundige heeft op grond van de in 3.5.1 vermelde motivering vooropgesteld dat het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante “in de periode in geding (juni 2014)” niet dusdanig was verschraald door functiebeperkingen op het vakgebied van de psychiatrie dat sprake zou zijn van een situatie van niet benutbare mogelijkheden. De deskundige heeft deze conclusie om de in 3.5.2 vermelde redenen echter meteen gerelativeerd en overwogen dat niet uitgesloten kan worden geacht dat zich op de datum in geding juist een tijdelijke verergering van cognitieve en conatieve functiestoornissen en daarmee gepaard gaande beperkingen heeft voorgedaan. Daarbij kan worden opgemerkt dat psycholoog Poell en psychiater Bergoets in hun in 3.2 vermelde brieven hebben bevestigd dat bij appellante in 2014 sprake was van alcoholmisbruik, van een essentiële hypertensie en chronische vermoeidheid. Voorts is niet in geding dat appellante op de datum in geding nog lithium gebruikte.

4.4.

In zijn in 3.8 vermelde brief van 24 juli 2017 heeft de deskundige ook de door Derks benadrukte, met een bipolaire stoornis samenhangende blijvende kwetsbaarheid bevestigd, zij het dat de aard van de ziekte een afwisseling van perioden met meer of minder beperkingen meebrengt. De deskundige heeft daarbij vermeld dat appellante ten tijde van het onderzoek minder beperkingen ondervond.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat het Uwv de beperkingen van appellante op de datum in geding juist heeft vastgesteld. Zo kan op grond van de in 3.8 vermelde brief van de deskundige niet worden uitgesloten dat appellante op de datum in geding tevens beperkingen ondervond van een tremor die niet in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het Uwv is betrokken.

4.6.

Van groter belang is echter dat uit de gedingstukken – waaronder in het bijzonder de rapporten van Derks, daarin gesteund door de deskundige – en uit het verhandelde ter zitting, in het bijzonder uit de verklaring van [naam B] , naar voren komt dat appellante in het dagelijks leven is aangewezen op intensieve begeleiding. Het rapport van Derks en de verklaring van [naam B] geven voorts steun aan het standpunt van appellante dat zij gewoon is haar situatie rooskleuriger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is. Op grond van de verklaring ter zitting van [naam B] kan ten slotte niet worden uitgesloten dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 26 juni 2014 geen melding heeft gemaakt van het in 3.12 vermelde, voor een juiste beoordeling van belang zijnde, voorval. Voorts komt uit het rapport van Huisman naar voren dat appellante sterk beperkt is voor werken onder tijdsdruk en dwingend werktempo. Met betrekking tot kortcyclisch repeterende werkzaamheden en monotoon werk geldt een matige beperking. Ook daarmee is in de FML geen rekening gehouden.

4.7.

Wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Nu uit alle medische rapporten, met uitzondering van die van de verzekeringsartsen, een beeld naar voren komt dat voor appellante op de datum in geding meer beperkingen golden en daarover niet meer zekerheid is te krijgen, is er aanleiding het besluit van 15 juli 2014 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

4.8.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellante in verband met beroepsmatig verleende rechtshulp gemaakte kosten te vergoeden. Deze worden begroot op
€ 2.722,59. Voorts is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van de door appellante geraadpleegde deskundige. Deze worden begroot op € 4.275,83.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 oktober 2014;

  • -

    herroept het besluit van 15 juli 2014;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 oktober 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot het bedrag van € 6.998,33;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.G.A.H. Toma

TM