Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
16/6893 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen beroepschrift. Het bestreden besluit op de juiste wijze bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6893 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 oktober 2016, 16/424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

Datum uitspraak: 29 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Özkara, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Özkara een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Appellante is vertegenwoordigd door mr. M.I. Bal, advocaat en kantoorgenoot van mr. Özkara. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 14 oktober 2014 een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aangevraagd. Bij besluit van 29 oktober 2014 heeft CIZ de aanvraag van appellante afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.3.

Appellante heeft op 28 januari 2016 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet‑ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingesteld en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar dochter heeft gemachtigd om in de bezwaarprocedure namens haar op te treden, dat het bestreden besluit aan haar is geadresseerd en dat zij, volgens een telefoonnotitie van CIZ van 13 oktober 2015, heeft verklaard dat zij het bestreden besluit heeft ontvangen. Het bestreden besluit is dan ook op de juiste wijze bekendgemaakt. De omstandigheid dat mr. Özkara zich op 24 juni 2015 bij CIZ heeft gemeld en het dossier heeft opgevraagd en verkregen, maar dat het bestreden besluit kennelijk niet zou zijn meegestuurd, doet daar niet aan af. Volgens de rechtbank bestaat er dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verzending van het bestreden besluit op 22 juni 2015.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, zoals bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens appellante heeft haar dochter, als gemachtigde in de bezwaarprocedure, het bestreden besluit niet ontvangen en heeft ook mr. Özkara – na het opvragen van de stukken – het bestreden besluit nooit ontvangen. Voorts is uit de stukken van CIZ niet gebleken van een bewijs van verzending.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.1.

In geval van toezending van een besluit dient voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Contra-indicaties kunnen meebrengen dat moet worden geoordeeld dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden (zie de uitspraak van de Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1501).

4.2.2.

Naar het oordeel van de Raad is in dit geval sprake van een contra‑indicatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de dochter van appellante het besluit van 22 juni 2015 wel moet hebben ontvangen. Uit een telefoonnotitie van CIZ van 13 oktober 2015 blijkt namelijk dat de dochter van appellante is gesproken en dat zij heeft verklaard dat zij – als gemachtigde van appellante in de bezwaarprocedure – het bestreden besluit heeft ontvangen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit door de dochter van appellante is ontvangen en dat dit besluit dus wel moet zijn verzonden. Het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt dat zij enkel een conceptversie van het bestreden besluit heeft ontvangen, is door appellante op geen enkele wijze onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.3.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op de juiste wijze bekendgemaakt. Uitgaande van een bekendmaking van het bestreden besluit op 22 juni 2015 is het beroepschrift van appellante van 28 januari 2016 ruim na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde beroepstermijn ingediend. Van redenen waarom deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, is niet gebleken.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) S.L. Alves

OS