Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
15/1943 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld. Geen dwangsom. Ingebrekestelling: de rechtbank heeft overwogen dat de minister aan appellant geen dwangsom is verschuldigd. Indien het bestuursorgaan na ontvangst van de ingebrekestelling tijdig een besluit neemt, brengt intrekking van dat besluit niet mee dat de ontvangen ingebrekestelling herleeft. De rechtszekerheid vereist in een dergelijke situatie dat de bezwaarde zo nodig opnieuw het bestuursorgaan in gebreke stelt. Appellant heeft dat niet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1943 MPW

Datum uitspraak: 30 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 februari 2015, 14/6767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is een gewezen militair en ontvangt vanaf 1 februari 2002 een militair invaliditeitspensioen, laatstelijk berekend naar een mate van invaliditeit van 20%. Tevens is een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% toegekend.

1.2.

Bij brief van 11 april 2014 heeft appellant de minister verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld, zoals thans neergelegd in artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Bij besluit van 22 april 2014 heeft de minister dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toekenning van een bijzondere uitkering, dat sprake is van invaliditeit met dienstverband als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 mei 2014 bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft de minister bij brief van 20 juni 2014 in gebreke gesteld vanwege overschrijding van de beslistermijn.

1.4.

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2014 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.5.

Bij brief van 17 juli 2014 heeft de minister appellant uitgenodigd voor een hoorzitting. Tevens is de beslissing op bezwaar van 4 juli 2014 ingetrokken.

1.6.

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2014 opnieuw ongegrond verklaard. Tevens heeft de minister besloten dat geen dwangsom is verschuldigd. De ingebrekestelling is op 23 juni 2014 ontvangen zodat voor 7 juli 2014 een besluit diende te worden genomen. Op 4 juli 2014 en dus binnen de gegeven termijn is een beslissing op bezwaar genomen. Dat de beslissing nadien is ingetrokken doet daaraan niet af, aldus de minister.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat de rechtbank mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 29 augustus 2014, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister aan appellant geen dwangsom is verschuldigd. Indien het bestuursorgaan na ontvangst van de ingebrekestelling tijdig een besluit neemt, brengt intrekking van dat besluit niet mee dat de ontvangen ingebrekestelling herleeft. De rechtszekerheid vereist in een dergelijke situatie dat de bezwaarde zo nodig opnieuw het bestuursorgaan in gebreke stelt. Appellant heeft dat niet gedaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aan het feit dat appellant voldoet aan de eisen die aan het recht op een militair invaliditeitspensioen worden gesteld, geen betekenis toekomt. De Regeling Ereschuld kent een eigen regime dat weliswaar is gekoppeld aan het militair invaliditeitspensioen, maar een beperktere doelgroep kent. Zoals de minister ook heeft gesteld is niet de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden bepalend, maar de striktere eis van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie. Appellant heeft niet betwist dat hij als militair daarvoor nimmer is ingezet.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Regeling Ereschuld

4.1.1.

Bij Koninklijk besluit van 19 juni 2014 (Stb. 2014, 251) is, voor zover in dit geding van belang, het Besluit AO/IV gewijzigd. Bij deze wijziging is onder meer artikel 21a (Bijzondere uitkering) ingevoegd. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 juni 2012. Met de invoering van artikel 21a van het Besluit AO/IV is beoogd om een ereschuldregeling in de vorm van een eenmalige bijzondere uitkering in het leven te roepen als erkenning en waardering voor de inzet van veteranen tijdens veelal gevaarlijke omstandigheden waarbij zij het risico hebben gelopen om het leven te komen of gewond te raken.

4.1.2.

Ingevolge artikel 21a, eerste lid, van het Besluit AO/IV heeft de gewezen militair die voor 1 juli 2007 is ontslagen en bij wie als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie op een daartoe voor 1 juni 2012 gedane eerste aanvraag, invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, aanspraak op een eenmalige bijzondere uitkering.

4.1.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad daaraan het volgende toe. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat hij uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft afgeleid dat de medewerker van de Explosievenopruimingsdienst die gewond is geraakt bij de ontmanteling van de [bom] in [plaatsnaam] in aanmerking is gebracht voor een bijzondere uitkering zonder dat sprake was van strikte oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingssituatie. Aan de enkele vermelding in het proces-verbaal van de aangevallen uitspraak dat in dat geval sprake was van een bijzondere situatie komt naar het oordeel van de Raad niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De minister heeft ter zitting verklaard dat hem niet bekend is dat de door appellant genoemde militair in aanmerking is gebracht voor de bijzondere uitkering. Appellant heeft dit ook niet met concrete gegevens onderbouwd.

Dwangsom

4.2.1.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.2.2.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

4.2.3.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb, voor zover van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.3.

Het besluit van 22 april 2014 is op die datum aan appellant bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn aanving op 23 april 2014 en liep tot en met 3 juni 2014. De termijn voor het beslissen op het bezwaar is aangevangen op 4 juni 2014 en liep tot en met 15 juli 2014.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2851) is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb slechts sprake als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken. De ingebrekestelling van 20 juni 2014 voldoet niet aan deze voorwaarde, aangezien, zoals volgt uit wat onder 4.3 is overwogen, de beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. Reeds hierom was de minister geen dwangsom verschuldigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aan de beantwoording van de vraag of de ingebrekestelling herleeft, komt de Raad daarom niet toe.

4.5.

Uit 4.1.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, gelet op wat in 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen, met verbetering van gronden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

HD