Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/3087 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3087 PW, 17/6305 PW

Datum uitspraak: 14 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

5 april 2016, 15/2385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Bentem hoger beroep ingesteld. Mr. K.J. Coenen, advocaat, heeft het hoger beroep namens appellante voortgezet.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 20 april 2016 een nader besluit op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaak 16/3092 PW, plaatsgevonden op

2 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Boxem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving in de periode van 9 februari 2006 tot en met 31 januari 2012 en sinds 1 april 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ten tijde hier van belang naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft een zoon, geboren in 2006, en een dochter die op [geboortedatum] 2011 is geboren uit de relatie van appellante met

[naam X] ( [X] ). Appellante stond van 12 december 2008 tot medio oktober 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen, op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres 1). Vervolgens stond zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] (uitkeringsadres 2). [X] stond ten tijde hier van belang in de GBA ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaatsnaam] .

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 16 mei 2013 dat appellante samen met [X] op uitkeringsadres 1 woont, heeft een medewerker van de afdeling Handhaving van de gemeente Enschede een zogenoemd administratief vooronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hierbij is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn registers geraadpleegd, facebookpagina’s van appellante en [X] bekeken en gegevens over het waterverbruik op uitkeringsadres 1 verkregen en geanalyseerd. In de van dat onderzoek opgemaakte rapportage is geconcludeerd dat uit het administratief vooronderzoek geen feiten zijn gebleken die het vermoeden van fraude op het gebied van de woonsituatie bevestigen, maar dat wel aanwijzingen in die richting zijn gevonden. In het kader van een nader onderzoek heeft een consulent Handhaving onder meer tussen 22 oktober 2013 en 17 december 2017 in totaal 22 waarnemingen verricht in de omgeving van uitkeringsadres 2, appellante op 17 december 2013, 17 februari 2014, 20 maart 2014 en

27 maart 2014 gehoord en op 18 december 2013 een buurtonderzoek gedaan. De consulent Handhaving heeft de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een Rapportage Handhaving, kennelijk abusief gedateerd op 10 oktober 2013.

1.3.

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 17 december 2013 ingetrokken op de grond dat zij geen gevolg heeft gegeven aan oproepen tot het geven van inlichtingen.

1.4.

Het college heeft in de bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 3 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periodes van 12 december 2008 tot en met 31 januari 2012 en van 1 april 2013 tot en met 16 december 2013 te herzien

(lees: in te trekken) en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 65.505,50 van haar terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [X] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op de uitkeringsadressen. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college, waardoor haar ten onrechte bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en, kort gezegd, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betreft de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 12 december 2008 tot 25 juli 2011, het besluit van 3 maart 2015 in zoverre herroepen en het college opgedragen een nadere beslissing op het bezwaar te nemen over de hoogte van de terugvordering. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat de verklaring van appellante op

27 maart 2014, de verklaringen van buurtbewoners en de waarnemingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [X] in de periode van 25 juli 2011 tot en met

16 december 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op de uitkeringsadressen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de intrekking en de terugvordering over de periodes van 25 juli 2011 tot en met 16 december 2013 in stand is gelaten en het college is opgedragen een nadere beslissing op het bezwaar te nemen.

4. Bij het nader besluit heeft het college de over de periode van 25 juli 2011 tot en met

16 december 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 21.332,33.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling van het hoger beroep betrokken.

Aangevallen uitspraak

5.2.

Het geschil betreft de vraag of appellante in de periode van 25 juli 2011 tot en met

16 december 2013 (periode in geding) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X] .

5.3.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [X] een kind is geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [X] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

5.4.

Appellante en [X] stonden in de periode in geding op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Van betekenis is in dit geval of de uitkeringsadressen als hoofdverblijf van beiden fungeerden. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.5.

Appellante heeft aangevoerd dat, nu uit het administratief vooronderzoek was gebleken dat er geen aanwijzingen waren voor een gezamenlijke huishouding, de enkele vage en anonieme tip onvoldoende grondslag bood voor het onderzoek door de consulent Handhaving en dat dat onderzoek zonder een voldoende grondslag op ongeoorloofde manier inbreuk heeft gemaakt op de privacy van appellante en de overige betrokkenen.

5.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge artikel 53a van de WWB, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1092), kan deze bevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en is daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Het college mocht dus het nader onderzoek doen naar de woon- en leefsituatie van appellante. De inbreuk op de privacy van appellante en anderen die is gemaakt met de beperkte, niet als stelselmatig aan te merken, waarnemingen, het buurtonderzoek en het horen van appellante, is voorts niet onevenredig ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel om de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand te onderzoeken.

5.7.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat zij en [X] in de periode in geding gezamenlijk hoofdverblijf hadden op de uitkeringsadressen.

5.8.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Appellante heeft op 27 maart 2014 verklaard dat zij vanaf 12 december 2008, toen zij aan de [straatnaam adres 1] woonde, al zo lang een relatie had met [X] dat hij ieder weekend (van zaterdagnacht tot en met maandagavond) bij haar bleef slapen. Door de week bleef [X] ook iedere week slapen, dit waren hooguit twee dagen. Dit slapen vond plaats tussen dinsdag en vrijdag. [X] bleef niet iedere dag bij haar slapen omdat zij dat niet wilde. Zij hadden rust nodig, door zijn nachtdienst sliep hij overdag en mochten de kinderen geen lawaai maken en dat kan gewoon niet iedere dag, aldus appellante. In de dagen dat [X] bij appellante bleef slapen (door de week hooguit twee dagen en in het weekend van zaterdag tot en met maandag) aten zij bij haar moeder. Deze verklaring van appellante, bezien in samenhang met de verklaringen van de bewoners van [straatnaam adres 1] [nr. A] , [nr. B] en [nr. C] dat op nummer [nr. D] een man, een vrouw en één of twee kinderen woonden en de waarnemingen waarbij is geconstateerd dat de auto van [X] regelmatig voor uitkeringsadres 2 stond geparkeerd, biedt voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat [X] ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op de uitkeringsadressen. De omstandigheid dat appellante aanvankelijk anders heeft verklaard dan later in het gesprek doet daar niet aan af. Dat uit het waterverbruik niet kan worden afgeleid dat [X] op de uitkeringsadressen zijn hoofdverblijf had, leidt op zichzelf evenmin tot een andere conclusie.

5.9.

Uit 5.6 en 5.8 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat deze, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

Nader besluit

6. Het college heeft met het besluit van 20 april 2016 uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Nu appellante tegen dit besluit geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd, zal de Raad het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaren.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Mansourova

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding

HD