Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
17/3396 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om functieonderhoud terecht afgewezen. De extra werkzaamheden kunnen niet beschouwd worden als structureel onderdeel van de functie en deze zijn van begin af aan bedoeld als tijdelijke, extra werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3396 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 april 2017, 16/7628 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 30 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. el Boundati hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. L. Hofste een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. El Boundati aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. el Boundati. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Hofste en H. Kruit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 juni 2007 werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Vanaf 1 januari 2014 vervult zij de [functie 1] ( [functie 1] ) bij de [afdeling A.] van de [dienst B.] , thans [dienst BB] .

1.2.

Bij e-mailbericht van 24 mei 2016 heeft appellante verzocht om een functietypering en

-waardering op basis van haar functie en de daaraan toegevoegde taken die zij structureel en in opdracht van haar leidinggevende heeft verricht. Bij besluit van 4 juli 2016 heeft het college dit verzoek om functieonderhoud afgewezen. Daartoe heeft het college overwogen dat de extra taken die appellante heeft uitgevoerd geen structurele onderdelen van haar functie zijn. Appellante heeft de extra taken inmiddels afgerond en deze zijn per 1 juli 2016 ondergebracht bij collega’s of andere onderdelen van de organisatie.

1.3.

Bij besluit van 2 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 4 juli 2016 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is appellante er niet in geslaagd te bewijzen dat de extra werkzaamheden die zij heeft verricht structureel van aard waren. Niet is gebleken dat het college het verzoek om functieonderhoud ten onrechte heeft afgewezen.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ten onrechte heeft de rechtbank de terughoudende toetsing bij functiewaardering als uitgangspunt genomen. Het bestreden besluit betreft een verzoek om functieonderhoud. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2588) gaat het bij een dergelijk verzoek om de beantwoording van de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Het is aan de ambtenaar om dat aannemelijk te maken. Zie voor deze verdeling van de bewijslast ook de uitspraak van 3 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2263. Nu het hier een vaststelling van feiten betreft, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter niet op zijn plaats.

3.2.

Nu de rechtbank vervolgens de feiten wel volledig heeft getoetst, vormt dit foutieve uitgangspunt geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.3.

Er is geen geschil tussen partijen over welke werkzaamheden onderdeel zijn van de functie van appellante en welke extra werkzaamheden zij heeft verricht. Het geschil is toegespitst op de vraag of deze extra werkzaamheden moeten worden beschouwd als structureel onderdeel van haar functie, zoals appellante betoogt, of dat deze van begin af aan zijn bedoeld als tijdelijke, extra werkzaamheden, zoals verweerder daartegenover stelt.

3.4.

De functie van appellante bestond hoofdzakelijk, zoals ook verwoord in het

Plannings-, voortgangs- en beoordelingsformulier over 2014, uit het behandelen van ‘[taken functie 1] wegslepen’. Blijkens dit formulier wil appellante ook graag andere werkzaamheden uitvoeren. Uit het Plannings-, voortgangs- en beoordelingsformulier over 2015 blijkt dat halverwege 2015 met appellante over de werkverdeling de afspraak is gemaakt dat zij voor 50% van haar tijd wordt ingezet voor extra taken buiten haar reguliere werkzaamheden. Haar leidinggevende in die periode heeft verklaard dat appellante zich verder wenste te ontwikkelen en dat in samenspraak is gekomen tot toekenning van extra taken. Het ging om taken waarvan na een reorganisatie binnen de gemeentelijke organisatie nog niet duidelijk was aan welk organisatieonderdeel zij moesten worden toebedeeld en welke functionaris ze moest verrichten. Het is, volgens deze leidinggevende, nimmer de bedoeling geweest deze taken blijvend aan appellante toe te delen. Aan het eind van het eerste kwartaal van 2016 is de leidinggevende in gesprek gegaan met appellante over afronding en overdracht van de extra taken. Hierbij heeft mede een rol gespeeld dat appellante aangaf dat zij de werkdruk te hoog vond. Aan appellante is bij besluit van 23 mei 2016 een extra periodieke salarisverhoging toegekend. Het college heeft toegelicht dat dit is gedaan in verband met het beëindigen van de extra werkzaamheden en als blijk van waardering voor het verrichten ervan. De extra taken

- op één na - zijn vervolgens per 1 juli 2016 ondergebracht bij anderen. Dit is iets later ook met de taak ‘coördinator agressie en geweld’ gebeurd.

3.5.

Appellante heeft gesteld dat haar nimmer duidelijk is gemaakt dat ze de extra taken slechts tijdelijk zou verrichten. Er is echter niet een concrete aanwijzing dat het verrichten van deze taken gezien moeten worden buiten het kader van de wens van appellante om ervaring op te doen met andere werkzaamheden dan die welke strikt tot haar functie behoorden. Het honoreren van deze wens door haar leidinggevende met toedeling van taken die nog niet definitief waren ondergebracht in de nieuwe organisatie, kan niet worden gezien als een structurele wijziging van de functie van appellante. Dat zo’n structurele wijziging wel de bedoeling was, heeft appellante niet onderbouwd. De omstandigheid dat de extra taken zijn betrokken in de beoordelingen over 2014, voor zover ze toen al werden verricht, en over 2015 is daarvoor onvoldoende. In 2014 ging het maar om beperkte taken en in 2015 was appellante voor een belangrijk deel vrijgesteld van haar reguliere taken, zodat er alle reden was de

niet-reguliere taken bij de beoordeling van het functioneren van appellante in dat jaar te betrekken. Met het elders onderbrengen van de extra taken die appellante verrichte, zoals vermeld in het besluit van 4 juli 2016, resteerden voor appellante de reguliere taken die tot haar functie behoorde. Gelet hierop heeft het college geen aanleiding hoeven zien om het verzoek om functieonderhoud te honoreren.

3.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

HD