Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
16/2689 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel aan het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin beide partijen in ruime mate in medische informatie hebben voorzien, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. Voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/2 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2689 ZW

Datum uitspraak: 30 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

17 maart 2016, 15/4266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als pijpfitter voor [naam werkgever] (werkgever) voor gemiddeld 42 uur per week, toen hij zich op 2 oktober 2013 ziek meldde na een bedrijfsongeval waarbij hij zijn onderbeen heeft gebroken. In verband met deze ziekmelding heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Na de eerstejaars ZW-beoordeling is het recht op ZW-uitkering voortgezet, omdat uit de beoordeling van een verzekeringsarts bleek dat appellant niet kon werken.

1.3.

In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een arts van het Uwv appellant op 2 februari 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 februari 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant op 16 februari 2015 niet meer dan 65% van het zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van

18 februari 2015 vastgesteld dat het recht op ZW-uitkering wordt voortgezet. Werkgever, eigenrisicodrager voor de ZW, heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Appellant heeft in verband met dit bezwaar de hoorzitting van 9 juli 2015 bijgewoond en is na afloop daarvan door een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht. Deze arts heeft appellant, gelet op haar rapport van 9 juli 2015, belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een FML van 9 juli 2015. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, zo blijkt uit zijn rapport van 21 juli 2015, zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 70,07% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Nadat het Uwv appellant bij brief van 23 juli 2015 te kennen had gegeven voornemens te zijn het besluit van 18 februari 2015 te herzien en appellant hierop zijn zienswijze had gegeven, heeft het Uwv het bezwaar van werkgever tegen dit besluit bij besluit van 17 augustus 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Bij het bestreden besluit is vastgesteld dat appellant met ingang van 24 augustus 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Aan het bestreden besluit liggen aanvullende rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 augustus 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

12 augustus 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft onder verwijzing naar artikel 19aa van de ZW en de wetsgeschiedenis, vooropgesteld dat het Uwv een juiste maatstaf arbeid heeft gehanteerd.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Daarbij heeft zij betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 30 november 2015 heeft uiteengezet dat de diagnose oppervlakkige veneuze insufficiëntie die de behandelend chirurg heeft gesteld, past bij het klinisch beeld waar deze verzekeringsarts rekening mee heeft gehouden en dat zitten niet beperkt is, omdat de aan appellant voorgeschreven steunkousen dit zouden compenseren. Er is geen sprake van post-trombotisch syndroom en appellant kan autorijden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv niet is uitgegaan van de juiste maatstaf arbeid. Bij een zogenoemde tweedejaars ZW-beoordeling moet zijns inziens worden teruggevallen op de maatstaf van artikel 19 van de ZW. Appellant heeft daarnaast gesteld dat zijn beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een rapport van orthopeed P.A.L. Blokzeijl van 4 april 2016 overgelegd. Uit dit rapport blijkt volgens appellant dat hij beperkt had moeten worden op hurken en dat de veneuze insufficiëntie niet alleen het rechter-, maar ook het linkerbeen betreft. Appellant heeft aangevoerd dat de functie chauffeur personenbusje niet geschikt is voor hem, omdat daarin lange afstanden van ongeveer twee uur achtereen gereden moeten worden. Verder heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op de uitspraak van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Korošec (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 11 juli 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van

7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971). Appellant wordt dus niet gevolgd in het standpunt dat van een andere maatstaf arbeid moet worden uitgegaan.

4.2.

Ook wat appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd wordt daar het volgende aan toegevoegd.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 11 juli 2016 inzichtelijk de bevindingen, zoals deze zijn vermeld in het expertiserapport van Blokzeijl, besproken en daarbij overtuigend uiteengezet dat er geen aanleiding is voor een aanvullende beperking op knielen òf hurken. Volgens deze verzekeringsarts is een beperking op knielen of hurken aangewezen als niet op een van deze manieren met de handen de grond bereikt kan worden en kan uit de bevindingen van Blokzeijl niet worden geconcludeerd dat appellant dit niet kan. De functie van knieën, heupen en linkerenkel is namelijk niet beperkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder geconcludeerd dat de rechter enkelfunctie niet volledig gestoord is, maar nog enige bewegingsmogelijkheden kent en hakken/tenengang bovendien normaal mogelijk is. Hierdoor is het volgens haar niet aannemelijk dat appellant in het geheel niet kan knielen òf hurken. Zij heeft daarbij vermeld dat appellant wel beperkt is in gehurkt of geknield werken, wat een langere belasting impliceert. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat dit standpunt afwijkt van wat Blokzeijl heeft vermeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overtuigend en navolgbaar gesteld dat de (oppervlakkige) veneuze insufficiëntie aan het linkerbeen geen nieuw medisch gegeven is. Zij is in haar rapport van 30 november 2015 immers uitgegaan van de veneuze insufficiëntie van de oppervlakkige venen beiderzijds, waarvoor steunkousen worden gedragen, zoals blijkt uit de brief van 23 oktober 2015 van chirurg Ponsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport ook gemotiveerd toegelicht waarom voor een beperking op autorijden geen grond is. Zitten is niet beperkt, de steunkousen geven de noodzakelijke compensatie voor de insufficiënte aders en pedaalgebruik stimuleert juist het noodzakelijke (been)spiergebruik. Er is evenmin een aanknopingspunt voor twijfel aan dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.4.

Geconcludeerd wordt dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.5.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Die uitgangspunten toepassend op dit geval wordt geoordeeld dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Daarbij wordt overwogen dat appellant voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten en van deze gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt door uitvoerige informatie in te zenden van zijn behandelend artsen evenals de inzending van het expertiserapport van Blokzeijl. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin beide partijen in ruime mate in medische informatie hebben voorzien, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. De enkele omstandigheid dat appellant het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is eveneens onvoldoende om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

4.6.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet beperkt hoeven achten op autorijden. Om die reden slaagt de stelling van appellant dat de functie chauffeur personenbusje niet geschikt is voor hem, niet.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

HD