Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
15/7154 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Niet meewerken aan huisbezoek na gesprek op kantoor. Redelijke grond. Geen medische belemmering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7154 WWB

Datum uitspraak: 21 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 september 2015, 15/1008 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 24 juli 2014 gemeld bij het college voor het indienen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Zij heeft de aanvraag op

11 augustus 2014 ingediend. Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven dat zij inwoont bij haar moeder op het adres [adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Bij brief van 1 september 2014 heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 4 september 2014. Appellante is op 4 september 2014 verschenen op het gesprek. Zij heeft, voor zover hier van belang, verklaard dat zij vanaf maart 2012 bij haar moeder in

[woonplaats] woont, maar wel altijd een rijschool in [plaatsnaam] heeft gehad. Appellante reed vroeg in de ochtend vanuit [woonplaats] naar [plaatsnaam] . Zij staat bij haar moeder ingeschreven, omdat zij de huur van het huis in [plaatsnaam] niet meer kon betalen. Appellante bleef soms in [plaatsnaam] slapen. Zij heeft herniaklachten vanwege een auto-ongeluk en kan daarom zelf geen boodschappen doen. Appellante heeft bij haar moeder een eigen slaapkamer. In haar slaapkamer staat een koffer en kastje met een spiegel waarop haar

make-up ligt, met in een la van het kastje ondergoed van appellante. Haar bed staat in de woonkamer en is opgemaakt met een rode deken. Ook de administratie van appellante ligt in de woonkamer. Haar kleding ligt in een kledingkast in de slaapkamer van haar broer, links in de kast. Appellante overnacht regelmatig in [plaatsnaam] , zij heeft moeite een bestaan in

[woonplaats] op te bouwen omdat appellante jaren in [plaatsnaam] heeft gewoond. Zij heeft vorige week op donderdag en vrijdag in [plaatsnaam] overnacht, blijft dan bij haar zoon slapen en soms bij vrienden en wordt vaak door haar neef naar [plaatsnaam] gebracht. Aan het einde van het gesprek hebben de medewerkers van het college te kennen gegeven aansluitend een huisbezoek te willen afleggen. Daarop heeft appellante te kennen gegeven dat een huisbezoek op dat moment niet mogelijk is, omdat zij heeft afgesproken met haar nicht en deze afspraak niet af wil zeggen. Nadat appellante is gewezen op de mogelijke consequenties van een weigering om mee te werken aan een huisbezoek, heeft appellante de spreekkamer verlaten. De weergave van het gesprek is neergelegd in een rapport van 4 september 2014.

1.3.

Bij besluit van 8 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante op 4 september 2014 heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan een huisbezoek op het opgegeven adres. Hierdoor heeft appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat een redelijke grond voor het huisbezoek op 4 september 2014 ontbrak. Daarnaast stond appellante onder zodanige psychische druk dat de weigering om een huisbezoek te laten plaatsvinden haar niet kan worden aangerekend. Zij was niet in staat een juiste afweging te maken over het verlenen van medewerking aan het huisbezoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 24 juli 2014 tot en met 8 september 2014.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.5.

Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

18 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB4828) in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is.

4.6.

Anders dan appellante aanvoert, was er in dit geval sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onder 1.2 weergegeven verklaring van appellante concrete, objectieve feiten en omstandigheden opleverden op grond waarvan het college redelijkerwijs kon twijfelen aan de verklaring van appellante dat zij woonachtig was op het opgegeven adres.

4.7.

Eveneens anders dan appellante aanvoert, kan uit de door haar overgelegde medische stukken niet worden afgeleid dat zij in een zodanige psychische staat verkeerde dat zij niet in staat was een juiste afweging te maken over het verlenen van medewerking aan het huisbezoek. Uit een door appellante in bezwaar overgelegde brief van 21 oktober 2014 van

dr. J.A. Vollebregt, stafarts revalidatie, werkzaam bij Reade, blijkt weliswaar dat appellante PTSS heeft en daarvoor bij Reade in de periode tussen september 2013 en mei 2014 onder behandeling heeft gestaan, maar hieruit blijkt niet dat appellante daardoor niet in staat was om een juiste afweging te maken en ook niet dat zij in een zodanige psychische staat verkeerde dat zij niet in staat was mee te werken aan een huisbezoek.

4.8.

Appellante kan dan ook worden tegengeworpen dat zij geen medewerking heeft verleend aan een - onmiddellijk na het gesprek op 4 september 2014 - af te leggen huisbezoek. Appellante heeft door het niet meewerken aan het huisbezoek de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden, waardoor de woonsituatie van appellante onduidelijk is gebleven. Het recht op bijstand van appellante kan daarom niet worden vastgesteld.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J. Tuit

HD