Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
15/2000 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van Bbz-2004-lening van echtgenote na overlijden van belanghebbende. Hoofdelijk aansprakelijkheid ook al waren echtgenoten op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Na bedrijfsbeëindiging rekening gehouden met inkomen van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2000 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
10 februari 2015, 13/800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 28 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft wijlen mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Appellante is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en met partijen gecorrespondeerd. Het college heeft toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten. Appellante heeft, daartoe tweemaal uitgenodigd, niet verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 11 december 1980 gehuwd met [naam echtgenoot] (G). Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het college op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) bijstand verstrekt ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening (bedrijfskrediet) tot een bedrag van € 45.900,- ten behoeve van de eenmanszaak van G. G is op 22 augustus 2009 overleden waarna het bedrijf is beëindigd.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 6 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 januari 2013 (bestreden besluit), het restant van het eerder toegekende bedrijfskrediet tot een bedrag van € 32.914,90 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het bedrijfskrediet aan appellante en aan G, als gezin, is verstrekt en dat appellante op grond van artikel 59, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van het restant daarvan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van het Bbz 2004 wordt, voor zover hier van belang, bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep de lening volledig terugbetaald. Gestelde zekerheden worden volledig uitgewonnen. Op grond van het tweede lid wordt, indien na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend, het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos. Gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient 50% van het netto inkomen boven de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de WWB, besteed te worden voor aflossing van deze lening.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het college ten onrechte het bij besluit van 16 mei 2006 verstrekte bedrijfskrediet van haar terugvordert. Volgens appellante is zij niet gebonden aan de ten behoeve van het bedrijf van G gesloten geldleningsovereenkomst.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft overwogen heeft de wetgever met het Bbz 2004 beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening te bieden aan zelfstandigen en hun echtgenoten (uitspraak van 7 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB1835). Niet in geschil is dat appellante en G gehuwd waren ten tijde van de kredietverlening op grond van het Bbz 2004. De bijstand is in de vorm van een bedrijfskrediet als gezinsbijstand aan appellante en G verleend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4127) worden in geval van een gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat betreft hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB. Hierbij komt dat appellante onder meer het aanvraagformulier samen met G heeft ondertekend en het besluit van 16 mei 2006 aan hen beiden was gericht. Het college heeft appellante na het overlijden van G dan ook terecht hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de terugbetaling van het restant van het bij besluit van 16 mei 2006 toegekende bedrijfskrediet. Dat appellante en G destijds onder huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd, doorbreekt deze hoofdelijke aansprakelijkheid niet (uitspraak van 3 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY9355).

4.4.

Het betoog van appellante dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door niet meteen na het bericht van overlijden van G met uitwinning van zekerheden over te gaan tot terugvordering van het restant van het verleende bedrijfskrediet, kan appellante niet baten. Niet in geschil is dat het restant van het bedrijfskrediet na het overlijden van G € 32.914,90 bedroeg. Dat het college, zoals het college heeft erkend bij brief van 13 februari 2017, op onderdelen sneller en zorgvuldiger had kunnen handelen, maakt niet dat het specifieke terugbetalingsregime van artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004 niet langer op appellante van toepassing is.

4.5.

Bij brief van 2 juni 2017 heeft het college, met inachtneming van artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004 en op grond van de door appellante in hoger beroep - alsnog - verschafte inkomensgegevens, het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op € 3.110,60. De juistheid van de berekening van dit bedrag heeft appellante niet bestreden.

4.6.

Uit wat in 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van het teruggevorderde bedrag betreft en, zelf voorziend, bepalen dat het van appellante terug te vorderen bedrag dient te worden vastgesteld op € 3.110,60.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep, in totaal dus

€ 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 januari 2013 voor zover het

betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag;

- herroept het besluit van 6 november 2012 voor zover het de hoogte van het teruggevorderde

bedrag betreft;

- stelt het terug te vorderen bedrag vast op € 3.110,60 en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 28 januari 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en

M.J.W. van Breukelen als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Mansourova

HD