Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
15/6613 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening in verband met door moeder gestorte bedragen. Vermogensaanwas boven het vastgesteld vrij te laten vermogen. Onverschuldigde betaling aan moeder (want geen aannemelijk gemaakt schuld) niet gesaldeerd vermogen. Door betaling geen vermogen meer boven de vrij te laten grens. Geen bevoegdheid tot intrekking bijstand vanaf de betaling aan moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/5
USZ 2018/45
RSV 2018/65 met annotatie van F. Schulmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6613 WWB, 16/4677 WWB, 16/4678 WWB

Datum uitspraak: 28 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

8 juni 2016, 15/3282, 15/3283 (aangevallen uitspraak 1) en van 25 augustus 2015, 15/124 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat, hoger beroepen ingesteld en verzoeken om veroordeling van het college tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lemmens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 5 december 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij het toekenningsbesluit van 14 januari 2014 heeft het college het vermogen van appellant per 5 december 2013 vastgesteld op € 3.208,72. De van toepassing zijnde vermogensgrens bedroeg toen € 5.795,-.

1.2.

Bij besluit van 16 mei 2014 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2014 herzien in die zin dat bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand rekening zal worden gehouden met de netto inkomsten van appellant in verband met schenkingen van zijn moeder. Voorts heeft het college bij dit besluit de bijstand over de periode van 5 december 2013 tot en met 31 maart 2014 herzien (lees: de bijstand over de maand februari 2014 herzien en de bijstand over de maanden december 2013 en januari en maart 2014 ingetrokken) en de over die periode gemaakt kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.853,12 van appellant teruggevorderd. Aan besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat de schenkingen van de moeder van appellant als inkomsten in de zin van de WWB zijn aan te merken en als zodanig op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.

1.3.

Op 27 juni 2014 heeft appellant het college via een wijzigingsformulier ervan in kennis gesteld dat hij op 23 juni 2014 van de Belastingdienst een teruggave inkomstenbelasting 2011 van € 794,- en een teruggave inkomstenbelasting 2013 van € 11.853,- heeft ontvangen. Hierbij heeft appellant erop gewezen dat hij op 25 juni 2014 € 8.100,- aan zijn moeder betaald ter aflossing van leningen van zijn moeder over de periode december 2013 tot en met juni 2014.

1.4.

Bij besluit van 23 juli 2014 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 23 juni 2014 ingetrokken op de grond dat appellant over een vermogen beschikt of kan beschikken dat meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen. Het bedrag van € 8.100,- dat appellant aan zijn moeder heeft betaald, wordt gezien als een onverschuldigde betaling en wordt daarom niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

1.5.

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit op bezwaar van 13 oktober 2014 heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Bij uitspraak van 15 april 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:3091) heeft de rechtbank Limburg de beroepen tegen de besluiten van 1 augustus 2014 en 13 oktober 2014 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op de bezwaren te nemen, met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat appellant onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Het college was, op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, gelezen in samenhang met artikel 17, eerste lid, van de WWB, niet bevoegd tot herziening en terugvordering van het recht op bijstand, althans het college heeft niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Nu het bestreden besluit van

1 augustus 2014 wordt vernietigd, kan ook het bestreden besluit van 13 oktober 2014 niet in stand blijven gelet op de nauwe verwevenheid tussen de feiten en omstandigheden in beide zaken en het vertrekpunt van het college bij de waardering van deze feiten en omstandigheden.

1.8.

Bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 wederom ongegrond verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat de stortingen van de moeder van appellant op de bankrekening van appellant onmiskenbaar een periodiek karakter hebben. De bedragen die appellant van zijn moeder heeft ontvangen dienen daarom in beginsel als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB respectievelijk als inkomen in de zin van

artikel 32, eerste lid, aanhef en ander a, van de WWB aangemerkt te worden en de bijstand dient met toepassing van artikel 54, derde lid, onder b, van de WWB te worden herzien. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van giften of van leningen. De te veel ontvangen bijstand wordt onder toepassing van artikel 58, tweede lid, onder a, van de WWB teruggevorderd.

1.9.

Bij besluit van eveneens 2 oktober 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 wederom deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.

1.10.

Appellant heeft op 9 september 2014 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 18 september 2014 (besluit 3) heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant een inkomen heeft dat hoger is dan de bijstandsnorm.

1.11.

Bij besluit van 8 december 2014 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2014 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant over voldoende middelen kan beschikken. De overeenkomst van geldlening kan niet worden aangemerkt als een schuld omdat aan deze overeenkomst geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De terugbetaling is afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1

en 2 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening

4.1.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.2.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen (a) inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, (…) dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.3.

Ingevolge artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de WWB, zoals dit artikellid luidde vanaf 1 juli 2013, kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier, waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Wat hiervoor ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen laat onverlet dat met betrekking tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, mogelijk anders kan worden geoordeeld (uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:455). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.

4.5.

Appellant heeft in de hier te beoordelen periode, die loopt van 5 december 2013 tot en met 16 mei 2014, maandelijks in hoogte variërende bedragen van zijn moeder ontvangen die konden oplopen tot € 1.500,-. Appellant kon vrijelijk over deze bedragen beschikken. Gelet op de hoogte en het terugkerend en vrij besteedbaar karakter van de ontvangen bedragen heeft het college, anders dan appellant betoogt, zich terecht op het standpunt gesteld dat deze ontvangsten uit een oogpunt van bijstandsverlening niet uitgezonderd zijn van de middelen van appellant. Het college heeft daarom terecht de bedragen die appellant van zijn moeder op zijn bankrekening heeft ontvangen als inkomen van appellant aangemerkt.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat appellant in de te beoordelen periode tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de WWB te herzien vanaf 1 april 2014 en over de voorliggende periode van 5 december 2013 tot en met 31 maart 2014. De door appellant gestelde omstandigheid dat hij destijds tijdens het intakegesprek al heeft gezegd dat hij geld van zijn moeder wil lenen, brengt niet met zich mee, zoals appellant betoogt, dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

Intrekking met ingang van 23 juni 2014

4.8.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 23 juni 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 23 juli 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.9.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4387), is in de situatie waarin bij aanvang van de verlening van bijstand sprake is van vermogen boven nihil maar beneden de grens van het vrij te laten vermogen, de ruimte voor vrijgelaten vermogensaanwas te stellen op het verschil tussen de vermogensgrens en het bij de aanvang van de bijstand vastgestelde positieve vermogen. Worden tijdens de bijstandverlening middelen ontvangen die de nog resterende ruimte voor vermogensaanwas te boven gaan, dan staat dat meerdere aan de verlening van bijstand in de weg. Gezien het per 5 december 2013 vastgestelde vermogen van appellant en de op dat moment van toepassing zijnde vermogensgrens, bedroeg de ruimte voor vrijgelaten vermogensaanwas € 2.586,28. In dit geval diende het vermogen van appellant in verband met de ontvangst van belastingteruggaves tot een totaalbedrag van € 12.647,- op 23 juni 2014 opnieuw te worden vastgesteld. Deze vermogenstoeval, afgezet tegen de vrijgelaten vermogensaanwas en in aanmerking genomen, zoals het college terecht heeft gedaan, dat van het bij besluit 1 teruggevorderde bedrag op 23 juni 2014 € 2.627,76 resteerde, levert een oververmogen op van € 7.432,96. Dat appellant op 25 juni 2014 € 8.100,- heeft betaald aan zijn moeder is overigens niet van invloed op de vaststelling van het vermogen per 23 juni 2014.

4.10.

Appellant heeft aangevoerd dat de bedragen die hij op 25 juni 2014 heeft betaald aan zijn moeder aflossingen betreffen in verband met de met haar aangegane leningen. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat op 23 juni 2014 sprake was van schulden aan zijn moeder die op zijn vermogen in mindering moeten worden gebracht, slaagt deze beroepsgrond niet. Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening

(in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan deze voorwaarden is voldaan. De door appellant overgelegde verklaring van zijn moeder is hiertoe onvoldoende. Van in aanmerking te nemen schulden die moeten worden gesaldeerd met het op 23 juni 2014 aanwezige vermogen is reeds om die reden geen sprake.

4.11.

Appellant heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat door de bedragen die hij na 23 juni 2014 heeft uitgegeven, waaronder het aan zijn moeder op 25 juni 2014 betaalde bedrag van € 8.100,-, zijn vermogen weer onder de van toepassing zijnde vermogensgrens is gekomen en dus niet in de weg stond aan de verlening van bijstand.

4.12.

Gelet op 4.9 en 4.10 en gezien de vermogensmutatie op 25 juni 2014, in de vorm van een overboeking van € 8.100,- van de bankrekening van appellant naar de bankrekening van zijn moeder, staat vast dat het vermogen van appellant op 23 en 24 juni 2014 hoger was dan de voor hem geldende vermogensgrens en in de periode van 25 juni 2014 tot en met 23 juli 2014 onder die grens lag. Aldus had appellant op 23 en 24 juni 2014 geen recht op bijstand, maar stond zijn vermogen in de periode van 25 juni 2014 tot en met 23 juli 2014 niet in de weg aan het recht op bijstand. Dit betekent dat het college bevoegd was de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de WWB in te trekken over 23 en 24 juni 2014, maar dat geen grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand met ingang van 25 juni 2014. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.13.

Uit 4.12 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard. Aangevallen uitspraak 1 zal daarom in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de wet voor zover het de intrekking vanaf 25 juni 2014 betreft. Aangezien aan besluit 2 hetzelfde, niet te herstellen gebrek kleeft als aan bestreden besluit 2, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door besluit 2 in zoverre te herroepen. Voor het overige zal aangevallen uitspraak 1 worden bevestigd.

4.14.

Ten overvloede merkt de Raad op dat het bovenstaande niet wegneemt dat het college bevoegd is om (alsnog) aan appellant een maatregel op te leggen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Nieuwe aanvraag

4.15.

Wat is overwogen in 4.12 en 4.13 brengt mee dat aan de aanvraag van 9 september 2014 de grondslag is komen te ontvallen. Achteraf moet immers worden vastgesteld dat appellant geen nieuwe aanvraag om bijstand had hoeven doen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Aangevallen uitspraak 2 zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de wet. Tevens zal de Raad zelf in de zaak voorzien door

besluit 3 te herroepen.

Schadevergoeding

5. Het verzoek van appellant in de zaken 16/4677 WWB en 16/4678 WWB om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het college de rente moet berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Het gaat hier om de termijnen vanaf 25 juni 2014. Dit betekent dat de wettelijke rente is ingegaan op 1 juli 2014. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand. Hiermee is tevens beslist op het verzoek van appellant in het onder 15/6613 WWB geregistreerde hoger beroep om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

Proceskosten

6.1.

Aanleiding bestaat het college in de zaken 16/4677 WWB en 16/4678 WWB te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar,

€ 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal dus € 2.970,- wegens verleende rechtsbijstand.

6.2.

Aanleiding bestaat het college in de zaak 15/6613 WWB te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en

€ 495,- in hoger beroep, in totaal dus € 2.475,- wegens verleende rechtsbijstand, waarbij wordt aangetekend dat de kosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep al worden vergoed in de zaken 16/4677 WWB en 16/4678 WWB.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

In 16/4677 WWB en 16/4678 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak van 8 juni 2016 voor zover de rechtbank het beroep

tegen het op de intrekking betrekking hebbende besluit van 2 oktober 2015 ongegrond heeft

verklaard;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het de intrekking vanaf

25 juni 2014 betreft;

- herroept het besluit van 23 juli 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 2 oktober 2015;

- bepaalt dat aan appellant een vergoeding van wettelijke rente wordt toegekend op de onder 6

van deze uitspraak vermelde wijze;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

In 15/6613 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak van 25 augustus 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 december 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 18 september 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 december 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.475,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

HD