Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
16/4948 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4948 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 juni 2016, 15/4840 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. als rechtsopvolger van Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 29 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam moeder] , zijn moeder en wettelijk vertegenwoordiger, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. D.R. Kamps, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde voor appellant gesteld en een aanvullend hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Namens appellant zijn [naam moeder] en mr. I. Djordjevic, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kamps, verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft bij besluiten van 23 december 2013 en 26 maart 2014 voor het jaar 2014, op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een netto persoonsgebonden budget (pgb) van in totaal € 13.136,50 aan appellant verleend.

1.2.

Appellant heeft op 14 augustus 2014 verantwoording afgelegd over de besteding van zijn pgb over de eerste helft van 2014. Over de besteding van zijn pgb over de tweede helft van 2014 heeft het Zorgkantoor, ondanks herhaalde verzoeken, geen verantwoording van appellant ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant over het jaar 2014 (lager) vastgesteld op € 6.684,48 en bepaald dat een bedrag van € 6.452,02 van appellant wordt teruggevorderd. Appellant heeft op 18 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant niet‑ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 juni 2015. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals het plotselinge overlijden van de partner van zijn moeder en het daardoor tijdelijk niet kunnen beschikken over de voor de verantwoording van het pgb benodigde administratie, niet worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de partner van zijn moeder en wettelijk vertegenwoordiger in februari 2015 plotseling in zijn auto in België is overleden en dat alle in de auto aanwezige spullen, waaronder de laptop met daarop de administratie met betrekking tot de besteding van het pgb van appellant, in beslag zijn genomen. Omdat deze laptop uiteindelijk maanden later pas is vrijgegeven, kon de verantwoording van het pgb over de tweede helft van 2014 niet opnieuw tijdig worden aangeleverd. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de geestelijke toestand van zijn moeder en wettelijk vertegenwoordiger in de periode van februari tot oktober 2015 dermate slecht was, dat zij haar verantwoordelijkheid niet kon nemen en dat er geen contact met anderen was. Ter onderbouwing hiervan is gewezen op een verklaring van een (onafhankelijke) huisarts van 26 juli 2016. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de vordering niet op hem kan worden verhaald, omdat hij ten tijde van het ontstaan daarvan minderjarig was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juni 2015 na afloop van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van zes weken is ingediend.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In artikel 6:11 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet‑ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.

Alhoewel de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van appellant zich na het overlijden van haar partner bevond, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Niet is gebleken dat het volstrekt onmogelijk is geweest om tijdig (zo nodig op nader aan te voeren gronden) bezwaar te maken, of om hiervoor een derde in te schakelen. Uit de verklaring van de huisarts van 26 juli 2016 blijkt niet dat de medische situatie van de wettelijk vertegenwoordiger van appellant dusdanig was dat zij, ten tijde hier van belang, niet in staat was om tijdig een, desnoods summier, bezwaarschrift in te (laten) dienen. Daarnaast is de omstandigheid dat de wettelijk vertegenwoordiger een aantal maanden niet over de pgb‑administratie heeft kunnen beschikken, geen omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken tegen het besluit van 27 juni 2015.

4.4.

Gelet op wat in 4.3 is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juni 2015 terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

4.5.

Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de vordering niet op hem dient te worden verhaald, wijst de Raad op de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 april 2017 (kenmerk 1091643-161000-LZ). Doel en strekking van deze brief en het daarop gebaseerde stappenplan is dat minderjarige budgethouders niet meer worden aangesproken op een pgb‑schuld die zijn oorsprong vindt in het handelen van hun ouder/wettelijk vertegenwoordiger tijdens hun minderjarigheid. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2653, heeft de met de brief en het stappenplan beoogde bescherming geen betrekking op het vaststellingsbesluit, bedoeld in artikel 4:46 van de Awb, en het terugvorderingsbesluit, bedoeld in artikel 4:95 van de Awb, maar op de invordering van de schuld.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) S.L. Alves

IJ