Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
15/8138 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1627
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ZW- en de WW-uitkering. Er is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant is geen werknemer geweest in de zin van deze wetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8138 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 november 2015, 15/1457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.J.L. Huurman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 29 december 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Hij heeft daarbij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingang van 27 juni 2011 voor een periode van zes maanden, met [naam B.V. 1] ( [naam B.V. 1] ) overgelegd en een brief van 28 november 2011 waarin het einde van zijn dienstverband per 27 december 2011 wordt bevestigd. Bij besluit van 19 januari 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 27 december 2011 in aanmerking gebracht voor een WW‑uitkering, bij gelijkblijvende omstandigheden lopend tot en met 26 maart 2012. Op
8 maart 2012 heeft appellant zich ziek gemeld per 9 februari 2012. Zijn WW-uitkering is doorbetaald tot 27 maart 2012 en vanaf 27 maart 2012 is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) betaald. Appellant is per 15 april 2013 arbeidsgeschikt verklaard. Nadien is hij niet meer in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.2.

Omdat in 2014 bij het Uwv een vermoeden was gerezen dat de overeenkomst tussen appellant en [naam B.V. 1] een gefingeerd dienstverband betrof, heeft onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een ‘Rapport werknemersfraude LGD’ (frauderapport) van 25 juli 2014. In dit frauderapport is geconcludeerd dat appellant niet was aan te merken als verzekerd voor de werknemersverzekeringen omdat hij niet bij [naam B.V. 1] had gewerkt. Volgens het frauderapport was sprake van een gefingeerd dienstverband.

1.3.

Het Uwv heeft, voor zover in deze procedure van belang, op basis van het frauderapport een tweetal besluiten genomen.

1.3.1.

Bij besluit van 15 september 2014 (primair besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 26 december 2011 tot en met 1 april 2012 ingetrokken en de over die periode ten onrechte betaalde uitkering ten bedrage van € 6.473,85 bruto van appellant teruggevorderd.

1.3.2.

Bij besluit van 15 september 2014 (primair besluit 2) heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 27 maart 2012 tot en met 14 april 2013 ingetrokken en de ten onrechte ontvangen ZW-uitkering over die periode ten bedrage van € 26.237,23 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 22 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de in 1.4 genoemde primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door het Uwv verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het rapport werknemersfraude een voldoende basis vormt om aan te nemen dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [naam B.V. 1] . De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de aan appellant verstrekte WW- en ZW-uitkering heeft herzien (lees: ingetrokken) nu appellant geen werknemer is in de zin van deze wetten en voor deze wetten niet verzekerd was.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zowel de zorgvuldigheid van het onderzoek door het Uwv als de door het Uwv op basis van dit onderzoek getrokken conclusies betwist. Appellant heeft gesteld dat hij in strijd met het fair trial-beginsel van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen kennis heeft kunnen nemen van de in het onderzoeksrapport vermelde anonieme verklaringen van vijf betrokkenen die samen met appellant een WW-aanvraag hebben ingediend. Voorts heeft appellant in hoger beroep herhaald dat hij concreet heeft onderbouwd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor [naam B.V. 1] . Daartoe heeft appellant verwezen naar de overgelegde arbeidsovereenkomst, de salarisspecificaties en de beëindigingsovereenkomst. Naast dit dienstverband is appellant werkzaam geweest bij [naam B.V. 2] . als oproepkracht waar hij in de weken 40, 41 en 42 een aantal uren heeft gewerkt. Volgens appellant is het Uwv er niet in geslaagd om feiten aan te dragen waaruit blijkt dat geen sprake was van een dienstverband.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW en artikel 36, eerste lid, van de WW het Uwv verplicht is het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikelen 30a van de ZW onverschuldigd is betaald, onderscheidenlijk de WW-uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald, terug te vorderen.

4.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of tussen appellant en [naam B.V. 1] sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van 27 juni 2011 tot 27 december 2011, op grond waarvan appellant verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.

4.3.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de arresten van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.4.

Voorop staat dat het bij besluiten tot intrekking van een reeds verstrekte uitkering en terugvordering daarvan met terugwerkende kracht aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in deze zaak, voor zover het gaat om de intrekking en terugvordering van de aan appellant verstrekte WW- en ZW-uitkeringen, aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat in de relevante periode geen sprake is geweest van een dienstbetrekking van appellant met [naam B.V. 1] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, ligt het vervolgens op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

4.5.

Het Uwv heeft de conclusie dat tussen appellant en [naam B.V. 1] geen sprake is geweest van een dienstbetrekking gebaseerd op het frauderapport. Ter zitting heeft het Uwv desgevraagd te kennen gegeven dat de door appellant genoemde geanonimiseerde verklaringen van vijf betrokkenen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In het rapport is de conclusie dat niet aannemelijk is dat appellant werkzaam is geweest bij [naam B.V. 1] als volgt gemotiveerd:

  • -

    de aangiften loonheffingen met betrekking tot appellant werden met terugwerkende kracht ingediend;

  • -

    op de naam en het adres van [naam B.V. 1] was geen G-rekeningnummer terug te vinden;

  • -

    er was sprake van een groot aantal overschrijvingen bij de loonaangiften door verschillende personen;

  • -

    het bedrijfsadres van [naam B.V. 1] aan de [adres] te [plaatsnaam 1] bleek een vervallen woning te zijn;

  • -

    [naam B.V. 1] heeft over het tweede tot en met het vierde kwartaal 2011 geen omzet verantwoord, noch over het gehele jaar 2012, maar er was over 2012 wel een naheffing omzetbelasting van € 15.300,-;

  • -

    volgens de loonstrook van december 2011 is het netto maandsalaris van € 1.655,24 per kas betaald;

  • -

    er was sprake van een kort dienstverband van zes maanden met een hoog SV-loon van
    € 2.698,02 per maand;

  • -

    een dienstverband met [naam B.V. 1] staat niet meer geregistreerd;

  • -

    andere personen hadden bij [naam B.V. 1] ook een kort dienstverband met een extreem hoog loon;

  • -

    de directeur/grootaandeelhouder van [naam B.V. 1] , [naam X] , was eerder betrokken bij twee ondernemingen van waaruit met gefingeerde dienstverbanden uitkeringen zijn toegekend en verstrekt; en

  • -

    appellant heeft tijdens het verhoor op 15 juli 2014 verklaard dat hij zijn salaris altijd contant kreeg uitbetaald. Appellant heeft verklaard dat hij zijn WW-aanvraag van
    29 december 2011 door iemand van [naam B.V. 1] heeft laten indienen. De WW-aanvraag van
    24 maart 2013 heeft appellant wel zelf ingediend.

4.6.

De hiervoor genoemde gegevens betreffen voornamelijk de algemene bedrijfsvoering en situatie bij [naam B.V. 1] . Hoewel deze vragen oproepen, volgt daaruit niet zonder meer dat appellant in de hier van belang zijnde periode geen dienstverband had met [naam B.V. 1] . Het niet verantwoorden van omzet over het tweede tot en met het vierde kwartaal over 2011 noch van enige omzet over 2012 en het hoge loon van appellant bieden daarentegen voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat geen sprake is geweest van een dienstverband. Hiermee is het Uwv geslaagd in zijn in 4.3 weergegeven bewijslast, zodat vervolgens moet worden beoordeeld of appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uwv met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt.

4.7.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat wel sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen hem en [naam B.V. 1] gewezen op de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst, de salarisspecificaties en de beëindigingsovereenkomst. Appellant heeft aan de handhavingsinspecteur verklaard op welke wijze uitvoering werd gegeven aan het dienstverband. Appellant werkte naar eigen zeggen van 7:00 tot 18:00 en werd hiertoe opgehaald door [naam Y] in een auto van het type Berlingo op het station. [naam Y] was volgens appellant een vertegenwoordiger van [naam B.V. 1] . [naam Y] had alle benodigde gereedschappen en materialen in de Berlingo liggen. Appellant heeft verder gesteld werkzaam te zijn geweest op een aantal projecten waar ook andere bedrijven, zoals schilders, timmermannen, steigerbouwers en slopers aanwezig waren. De werkzaamheden van appellant waren uitsluitend gericht op dakisolatie en aanverwante werkzaamheden. Voorts heeft appellant verklaard voornamelijk werkzaam te zijn geweest in en rond [plaatsnaam 2] waarbij hij werkzaamheden verrichtte in de wijken [wijk 1] , [wijk 2] , [wijk 3] en [wijk 4] . Appellant heeft de bedragen op zijn loonstroken contant uitbetaald gekregen. Daarnaast heeft appellant in de weken 40, 41 en 42 een aantal uren gewerkt bij [naam B.V. 2] als oproepkracht. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn stellingen verwezen naar de verklaring van verdachte [naam Z] die zich in een vergelijkbare positie bevond als appellant.

4.8.

Appellant is met deze toelichting er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat hij in dienstbetrekking werkzaamheden heeft verricht voor [naam B.V. 1] . De verklaring van appellant bevat geen concrete voor het Uwv verifieerbare aanwijzingen wanneer en waar appellant heeft gewerkt voor [naam B.V. 1] . Appellant heeft slechts een aantal wijken in [plaatsnaam 2] genoemd waar hij werkzaamheden zou hebben verricht zonder daarbij concrete, voor het Uwv verifieerbare, gegevens te vermelden. Bovendien heeft appellant slechts een zeer algemene beschrijving gegeven van zijn werkzaamheden. Ook heeft appellant geen beschrijving gegeven van de vertegenwoordiger van [naam B.V. 1] met wie hij in [plaatsnaam 2] samen zou hebben gewerkt en waarvan hij ten tijde van het onderzoek alleen een voornaam – [naam Y] – kende. Daarnaast heeft appellant geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat in de periode dat hij de gestelde fulltime werkzaamheden voor [naam B.V. 1] in en rond [plaatsnaam 2] zou hebben verricht ook werkzaamheden voor [naam B.V. 2] in Nederland heeft verricht in de omvang zoals in Suwinet staat geregistreerd. De verklaring van appellant bevat verder geen aanknopingspunten om nader onderzoek naar de door hem gestelde werkzaamheden te verrichten.

4.9.

Gelet op het voorgaande heeft het Uwv de ZW- en de WW-uitkering over de in geding zijnde perioden terecht ingetrokken en teruggevorderd. Appellant heeft tegen de teruggevorderde bedragen geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

4.10.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

KS