Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
14/891 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:540, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen procesbelang. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 891 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2014, 13/3014 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 november 2017

[naam werknemer] te [plaatsnaam] (werknemer)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 31 maart 2015 heeft mr. M.B.M.C. van den Berg, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

De Raad heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van 20 januari 2016. Op verzoek van appellante is de behandeling ter zitting uitgesteld.

De Raad heeft partijen opnieuw uitgenodigd voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van 12 oktober 2016.

Bij brief van 27 september 2016 heeft mr. B.M. van Dinter, kantoorgenoot van

mr. Van den Berg, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Bij brief van 5 oktober 2016 heeft de Raad het Uwv gewezen op een tweetal uitspraken van de Raad van 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:202) en 9 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4437) en daarbij het Uwv verzocht om uiteen te zetten welke betekenis de uitspraken volgens het Uwv hebben voor het besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit).

Bij faxberichten van 7 en 10 oktober 2016 heeft het Uwv gereageerd en daarbij het bestreden besluit en het primaire besluit van 3 december 2012 ingetrokken. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat het Uwv bereid is om de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, rekening houdende met de forfaitaire bedragen als genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), te vergoeden, zo ook de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten en dat een verzoek om schadevergoeding in behandeling zal worden genomen.

Appellante heeft bij faxberichten van 11 oktober 2016 gereageerd en te kennen gegeven dat zij nog een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de Raad. Voorts heeft appellante de Raad verzocht om de zaak aan te houden in verband met het verzoek om schadevergoeding aan het Uwv.

De behandeling ter zitting van 12 oktober 2016 is uitgesteld.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 7 december 2016 gereageerd op de verzoeken van appellante en bij brief van 15 december 2016 het verzoek van appellante om vergoeding van de gelede schade (met bijlagen), welk verzoek appellante op 1 november 2016 aan het Uwv had gericht, overgelegd.

Bij brieven van 6 januari 2017 en 3 februari 2017 heeft appellante het verzoek om schadevergoeding, haar aparte verzoek om vergoeding van wettelijke rente en de geclaimde proceskosten nader toegelicht.

Het Uwv heeft bij brieven van 17 januari 2017 en 20 maart 2017 op de verzoeken om vergoeding van schade, wettelijke rente en proceskosten gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 3 december 2012 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werknemer tijdens ziekte moet doorbetalen, verlengd met 52 weken tot 4 februari 2013. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het loonsanctiebesluit ongegrond verklaard.

1.2.

Met de intrekking van het bestreden besluit en van het primaire besluit van

3 december 2012 is het belang van appellante bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak in beginsel komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC2897), kan er nog sprake zijn van een actueel procesbelang, indien door appellante gesteld wordt dat zij schade heeft geleden door bestuurlijke besluitvorming en zij een uitspraak van de Raad wenst.

1.3.

Bij brief van 20 maart 2017 heeft het Uwv aan de Raad meegedeeld dat het Uwv het door appellante gevorderde schadebedrag van € 54.976,94 op 8 maart 2017 aan appellante heeft vergoed en dat aan appellante tevens een bedrag van € 4.580,24 aan wettelijke rente is vergoed. Nu niet is gesteld of gebleken dat voornoemde uitgevoerde betalingen door het Uwv onjuist zijn, heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, de (on)rechtmatigheid van het bestreden besluit en de door haar geleden schade en de door het Uwv te vergoeden wettelijke rente.

1.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279), kan geen belang bij beoordeling van de aangevallen uitspraak worden ontleend aan de door appellante gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811) kan daarnaast ook geen procesbelang worden ontleend aan de door appellante verzochte vergoeding van het griffierecht.

2. Uit wat in 1.1 tot en met 1.4 is overwogen volgt dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.1.

Er bestaat aanleiding voor vergoeding van de proceskosten in beroep en in hoger beroep. In dit verband heeft appellante verzocht om het Uwv te veroordelen in de volledige proceskosten die zij in het onderhavige geding heeft gemaakt. Daarbij heeft zij verwezen naar artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3.2.

Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Awb gebaseerde Bpb bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt hierover dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen.

3.3.

Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4672). Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet ook betekenis worden toegekend aan de vraag of de betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft.

3.4.

In dit geval is geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen. Niet is gebleken van ernstig onzorgvuldig handelen van het Uwv of van een hardnekkige houding van het Uwv waardoor appellante ter bestrijding van het standpunt van het Uwv in een positie is gebracht dat zij aanzienlijke proceskosten heeft moeten maken. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep was de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015 nog niet gewezen. De werkwijze en besluitvorming van het Uwv dwongen appellante niet tot het inroepen van rechtshulp waarmee een meer dan normale tijdsbesteding was gemoeid. De conclusie is dat voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb en toekenning van een andere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding geen grond bestaat.

3.5.

De kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zijn de kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden in beroep berekend op basis van twee punten (een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting). De kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden eveneens berekend op basis van twee punten (een punt voor het indienen van een beroepschrift en tweemaal 0,5 punt voor het indienen van een reactie). In totaal leidt dit tot een kostenveroordeling van € 1.980,- (vier punten met een bedrag per punt van € 495,-). De bezwaarkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat appellante destijds zelf bezwaar heeft gemaakt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 803,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P. Boer

KS